Rolf Loewenstein

Opgetekend door (J) Sjef Smeets

 

Vandaag, 21 juli 2026, noteerden we in Eindhoven de oorlogsherinneringen van de, aldaar op  28.8.1939 ook geboren, heer Rolf Loewenstein:

Mijn ouders Max Loewenstein en Hilde Loewenstein – Rosenberg trouwden op 14 juni 1931 in Witten (D). Vóór mij, op 8.10.1934, was hun zoon Helmut al geboren. Helmut overleed in het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz, (Polen) slechts 9 jaar oud, op 19.11.1943.

Mijn ouders zijn in 1933 samen met opa en oma Rosenberg vanuit Duitsland naar Nederland gevlucht. Bij hun schoenenwinkel waren de ruiten ingegooid, nadat er eerst ook al op geschreven was: “Hier niet kopen, dit zijn Joden.” Vervolgens werd de zaak ook nog door de Bruinhemden geplunderd. Toen mijn vader daarover ging klagen bij de politie, kreeg hij als reactie: ”Wat kom je hier doen, vuile rotjood.” (Bruinhemden was de bijnaam voor de “Sturmabteilung” -afgekort SA - de paramilitaire knokploeg van de NSDAP - Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij J.S.) Toen was het de hoogste tijd om te vluchten.

Ik heb nooit kunnen achterhalen hoe ze in die tijd veilig naar Nederland hebben kunnen ontkomen. Mijn vader is toen in het centrum van Eindhoven, op de Demer, ook weer een schoenwinkel begonnen. In het begin ging hij op de fiets langs boeren om hun schoenen te repareren of nieuwe te verkopen. Later nam hij ook kinderkleding mee. Met de opbrengst kocht hij weer schoenen voor de verkoop. Na het bombardement door de Moffen was de winkel helemaal weg, kan ik me herinneren. (Het  zogenaamd “Sinterklaasbombardement” op 6 december 1942  vaagde de Demer volledig weg. De Britse RAF voerde toen een grootschalige luchtaanval uit (Operation Oyster) om de Philips-fabrieken te vernietigen, die voor de Duitsers moesten werken. J.S.)

Ik ben pas van 1939. Daarom zullen de herinneringen, die ik nu bespreek vooral gaan over wat mijn Joodse familie in de oorlogstijd heeft meegemaakt. Mijn vader, mijn broer, ooms en tantes zijn vermoord. Mijn vader heb ik dus niet gekend. Mijn  moeder heeft, ondanks mijn herhaalde vragen, helaas nooit willen praten over die ellendige jaren. “Das weiss ich nicht” was altijd haar bozige reactie. Gevolg van het trauma dat ze aan de oorlog had overgehouden. Wat ik zeker weet is dat mijn moeder nog jaren gehoopt heeft dat mijn vader toch nog terug zou komen.

Mijn moeders’ ouders wilden ook niet praten. Wat ik zelf kon achterhalen is het volgende: Ook in Nederland waren we niet veilig. Op ’n gegeven moment zijn mijn ouders met opa en oma Rosenberg en met ons ondergedoken bij een boer in Maarheeze (N.Br.). De boer was bang om ons in  de boerderij te laten slapen. Dus deden wij dat alle zes in het hooi, onder een rieten dak op vier palen, een hooimijt. Ook in de koude winter lagen we daar. De boer vond op ’n gegeven moment dat mijn broer en ik hem teveel waren. Wij werden door het illegale werk “in veiligheid” gebracht, dacht de familie. Ik was toen twee jaar oud. Maar Blonde Jet, de vrouw, die ons meenam, heeft mijn broer, Helmut, voor zeven gulden en vijftig cent “Kopgeld” verkocht aan de Duitsers. (Kopgeld was het bedrag dat de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog uitloofde voor het aangeven van ondergedoken Joden. Vanaf het voorjaar van 1943 kregen premiejagers fl. 7,50 per persoon. J.S.). Ik heb toen geluk gehad. Ik kwam bij protestantse mensen, de familie Pol in Apeldoorn, terecht, waar ik de hele oorlog verder doorgebracht heb. Ik had er een heel fijn leven. Ik kan me herinneren dat ze daar twee zonen hadden en een dochter. Die dochter droeg me ’s avonds op haar rug de trap op naar mijn bed. Ik weet ook nog dat  de boer een greppel had gegraven met golfplaten en zand er op. Dat moest als schuilkelder dienen. Maar ik ben er nooit in geweest.

Ik heb nog lang geprobeerd om met de familie Pol contact te houden. Maar op ’n gegeven moment kreeg ik geen bericht meer terug.

Info Nederlandse Rode Kruis

1943 Rolf en Helmut

 

Mijn vader is opgepakt in Maarheeze. De Moffen zochten de piloten van een Engels vliegtuig, dat in de buurt was neergestort. Mijn vader was aan het wandelen en is toen van het ene Concentratiekamp naar het andere gebracht. Het Nederlandse Rode kruis schreef hierover op 2.6.2010 uitvoerig. Zie brief hieronder.

Na de bevrijding heeft mijn moeder me in Apeldoorn opgehaald met een drietonner van het Nederlandse leger. Zij had lang zwart haar. Ik heb de hele reis van Apeldoorn naar Eindhoven heel erg gehuild, omdat ik bang voor haar was. Ik kende mijn moeder niet meer. Ik heb haar ook meerdere keren gevraagd hoe zij wist dat ik in Apeldoorn zat, maar ook op deze vragen kreeg ik geen antwoord. Vader zou tijdens de zogenaamde “dodenmarsen” zijn omgekomen. (Dodenmarsen waren vanaf eind 1944 gedwongen onmenselijke evacuaties vanuit concentratiekampen, om bewijsmateriaal te vernietigen. Hierbij kwamen naar schatting honderdduizenden mensen om door honger, uitputting en executies. J.S.)