Alie Roest
Opgetekend door Petra Bontje
Alie Roest is geboren (1933) en getogen in het Noord-Hollandse dorp Heiloo. Ze is de oudste van vier kinderen. Vijf jaar na Alie werd haar broer Kees geboren, in december 1942 kwam de tweeling, Anton (Toon) en Jannie.
Het gezin Roest in 1943. Alie zit op de leuning van de bank, achter haar vader Anton
Alie als peuter op de schouders van haar opa
Alie’s moeder Jannie bestierde een manufacturenwinkel op de Heerenweg (nummer 57). Op hetzelfde adres had haar vader Anton een stoffeerderij. Tegenwoordig ligt winkelcentrum ‘t Loo op de plek waar Alie’s ouders ooit hun zaak hadden. In die tijd (jaren veertig) lagen er meer winkels aan de Heerenweg: o.a. een kruidenier (nummer 55), een horlogemaker (nummer 59) en een timmerman (nummer 61).
‘Dat was zo mooi, al die huizen en winkels om de Witte Kerk heen. Het is allemaal afgebroken. Dat is toch doodzonde? Aan de Kennemerstraatweg had je toen nog restaurant De Rustende Jager. In de oorlog was daar de gaarkeuken,’ vertelt Alie.
Heiloo vanaf de Witte Kerk met zicht op de Heerenweg. Rechts-midden ligt het huis, manufacturenwinkel, en stoffeerderij van Alie’s ouders. (Bron: https://oudheiloo.blogspot.com/2008/08/herinneringen-van-oud-heilooers-all.html)
Schooltijd
Alie was zeven jaar toen de oorlog in mei 1940 begon. Ze zat in de tweede klas van de openbare lagere school (later: de Nicolaas Beetsschool). ‘Ik heb geen normale lagereschooltijd gehad. De tweede klas heb ik bijna kunnen afmaken tot onze school werd ingenomen door de moffen. Daarna zaten we op verschillende noodscholen, o.a. een katholieke jongensschool op de Kerkelaan. Later hadden we les in een fabriek aan de Westerweg die stillag. En dan was het maar weer afwachten waar we daarna heen konden. We kregen een uurtje les hier, een uurtje daar. Omdat we zoveel school misten, heb ik bijvoorbeeld ook nooit echt de tafels geleerd. Ik weet ze wel, maar ik heb nooit tafels gedreund. Ik weet nog dat er meisjes in kakiuniform op school waren, kinderen van NSB-ers, die collecteerden voor de Winterhulp.’
Soldaten ingekwartierd
‘In Heiloo waren er Egmonders ingekwartierd *, maar er zaten ook moffen en er hadden verschillende mensen onderduikers in huis. Al met al was het was een rare mengelmoes in ons dorp. Bij mijn grootmoeder, die ook in Heiloo woonde, stonden er op een dag twee soldaten voor de deur. Op haar zolder stond maar één bed, dus ze gaf aan dat ze één soldaat in huis kon hebben. Toen kwam Anton, een Poolse militair, die een tijd in haar huis woonde.
(*Tijdens de Tweede Wereldoorlog dwong de Duitse bezetter tot grootschalige evacuaties in de kuststreek om ruimte te maken voor de aanleg van de Atlantikwall. Ook Egmond werd vrijwel volledig ontruimd. Veel inwoners moesten hun woningen verlaten en zochten onderdak in het binnenland, onder meer in Heiloo, dat hierdoor te maken kreeg met een grote toestroom van evacués. (Bron: https://sprekendegeschiedenis.nl/collectie/evacuatie-en-bezetting-in-egmond-1940-1945/)
Toneelstuk opvoeren tijdens de oorlog
Alie laat een programmaboekje zien van het blijspel ‘En Jacob diende’, dat de Rederijkerskamer (toneelvereniging) ’t Ontluikende Roosje opvoerde op 6 november 1941 in café-restaurant De Rustende Jager in Heiloo. Haar beide ouders, Anton en Jannie Roest, speelden mee in het stuk. Alie heeft ook een kopie van de toestemmingsbrief die de toneelvereniging toen ontving van de Procureur-generaal/ Directeur van Politie Amsterdam ontving. ‘Geen bezwaar, mits er geen onderwerpen van politieken aard ter sprake worden gebracht, direct noch indirect,’ staat in de brief. ‘Behalve toneelspelen, kon mijn vader ook goed zingen. Hij had een prachtige bariton,’ vertelt Alie.
Programmaboekje van het blijspel ‘En Jacob diende ’van Rederijkerskamer 't Ontluikende Roosje op 6 november 1941 in café-restaurant De Rustende Jager in Heiloo. Alie’s ouders, Anton en Jannie Roest, speelden beiden een rol in het toneelstuk.
Joodse onderduikers
Alie vertelt dat ze tijdens de oorlog twee Joodse onderduikers in huis hebben gehad. Het gezin Bonnewit bestond uit vader Ben, moeder Eva en hun zoontjes Nico en Lodewijk (‘Lody’). Ze woonden in de Amsterdamse Zoomstraat. Ze kregen een oproep om zich op 18 juli 1942 te melden voor deportatie naar Polen. Het gezin dook onder, de twee kinderen op een ander adres dan hun ouders. Ben en Eva Bonnewit vonden achtereenvolgens onderdak in Santpoort, Zaandijk, Bloemendaal en Heiloo. In Heiloo hebben ze op vier adressen gewoond: eerst bij de familie Zonderhuis, daarna bij de families Bakker, Roest en van Lieshout.
Eerder vertelde Alie over die tijd: “Ze hadden al op een aantal andere adressen gezeten voordat ze bij ons kwamen. Het was wel een beetje riskant, want er woonden nogal wat NSB-sympathisanten in de buurt. (…) De heer Bonnewit, ik noemde hem oom Ben, kwam voor de oorlog als reiziger in textiel regelmatig bij mijn ouders. Zodoende kende hij ons al langer.” (Bron: Joods Monument Zaanstreek, https://www.joodsmonumentzaanstreek.nl/bonnewit-benedictus-ben/ )
Van de vier kinderen Roest wist alleen Alie dat ‘oom Ben en tante Ee’ bij hen ondergedoken zaten. ‘Mijn broertje Kees speelde altijd op straat en kwam bij iedereen binnen. In het begin mocht hij daarom niet weten dat we onderduikers in huis hadden. Oom Ben en Tante Ee woonden boven, wij beneden. Kees had het niet in de gaten tot hij groter werd. Toen moesten ze verhuizen naar een ander adres, anders was het veel te link.’
Alie vertelt dat het onderduikadres van de twee zoontjes Bonnewit, Nico en Lody, in Amsterdam verraden werd. ‘Toen oom Ben en tante Ee bij ons in huis kwamen, waren hun kinderen al opgepakt door de moffen. Dat was verschrikkelijk, vreselijk. Toen ze bij ons waren en de tweeling zagen, die toen nog baby’s waren, moet dat voor hen afschuwelijk zijn geweest.’
Nico en Lodewijk (Lody) Bonnewit (foto is privébezit van Alie Roest)
Oom Ben en tante Ee zouden hun zoontjes Nico en Lody nooit meer terugzien. De twee kinderen werden eerst naar kamp Westerbork en daarna in 1943 naar Sobibor gedeporteerd, waar ze vermoord zijn. Op de Spoorlaan 4 in Heiloo zijn in 2017 Stolpersteine voor hen geplaatst. In 2018 is er een plaquette aan toegevoegd met de namen van hun ouders.
De struikelstenen voor Nico en Lody Bonnewit en de plaquette met de namen van hun ouders bij Spoorlaan 4 in Heiloo (Bron: https://www.tracesofwar.nl/sights/107766/Herdenkingssteen-Echtpaar-Bonnewit-Heiloo.htm)
Na de oorlog bleven oom Ben en tante Ee in Heiloo wonen. Omdat ze niet terug konden naar hun huis in Amsterdam, kregen ze van de gemeente Heiloo een huis aangeboden op de Ewislaan. Het huis was van een (vrouwelijk) lid van de NSB geweest. Tot hun overlijden bleef het echtpaar Bonnewit bevriend met de familie Roest. Alie’s moeder werd samen met oom Ben lid van de plaatselijke bridgeclub.
Het certificaat voor het planten van een boom in het Joop Westerweelwoud, opgedragen door de familie Bonnewit-Fresco aan de familie Roest.
Alie, Kees, en de tweeling Roest in de sneeuw met Eva (tante Ee) Bonnewit.
‘In de oorlog gingen de fabrieken dicht. Er kwam haast geen voorraad meer, ook niet voor de manufacturenzaak van mijn moeder. Haar winkel was dan ook bijna uitverkocht. De buurman van mijn ouders was een timmerman. Hij heeft de winkel gehalveerd met een schuifdeur, het achterste deel werd onze woonkamer. Er stond ook een kacheltje waar we op konden koken. Toen oom Ben en tante Ee bij ons kwamen onderduiken, woonden ze in onze oude woonkamer, boven de winkel.’
Het monument dat in de tuin van het Holocaustmuseum staat, ontroert Alie. Het monument waarmee Joodse Nederlanders de verzetshelden bedanken voor het redden van Nederlandse Joden, stelt een grijze ladder voor die door een luik naar de lucht reikt. ‘Toen ik het monument zag, dacht ik: zo was het echt,’ vertelt Alie.
Nationaal Dankteken in de tuin van Holocaust museum Amsterdam (bron: https://jck.nl/pers/beeldmateriaal/perskit-nationaal-dankteken).
‘Oom Ben en tante Ee sliepen op de zolder. In mijn slaapkamer zat een vaste kast. Het plafond van die kast kon eruit en dan konden oom Ben en tante Ee met een trappetje naar de vliering klimmen. Als ze boven waren, werd het plafond weer dichtgemaakt, de kleren op zijn plek gehangen en het trappetje weggehaald. Daarom ontroert mij dit monument zo, want het is letterlijk zoals het bij ons toen was. Elke avond maakte ik dit zo mee. Ik was degene die in die slaapkamer sliep, niet mijn broertje, want Kees mocht het niet weten.‘
‘We hadden in die tijd ook een meisje voor dag en nacht, Jaan. Zij sliep op de divan in onze woonkamer, maar kon daar pas gaan slapen als oom Ben en tante Ee naar zolder waren. Zij was dus ook volledig op de hoogte. Het was een organisatie tot en met.’
Op veel plekken in Heiloo zaten onderduikers. Op drie, vier verschillende adressen bracht Alie éen keer in de week spullen, zoals legpuzzels, naar de onderduikers toe. ‘De ene week nam ik nieuwe legpuzzels mee en de volgende week haalde ik ze weer op,’ vertelt ze.
Haar vader luisterde naar de Engelse radio en verstopte soms papiertjes met nieuwsberichten tussen de spullen die Alie naar de onderduikers bracht. Op éen adres zaten zelfs tien Joodse onderduikers op zolder. ‘Dat waren allemaal Amsterdammers. Na de oorlog kwamen veel van hen nog regelmatig bij oom Ben en tante Ee langs. Door het advies van een van die onderduikers heb ik later de opleiding tot kleuterleidster in Amsterdam gevolgd. ‘
‘De vrouw waar die tien onderduikers op zolder zaten, moeder Bakker, was een vreemde vrouw. Ze nodigde moffen uit om ‘s avonds te komen eten. Die Duitse soldaten namen dan lekker eten mee. Ze liet dan een van haar onderduikers, een Joods meisje, het eten serveren. Levensgevaarlijk.’
Groentetuin en schuilen in de kelder
‘Honger hebben we niet gehad, want we hadden een tuin waar we groenten in verbouwden. De hele kelder stond vol weckflessen. Mijn moeder is wel een keer met onze Jaan naar de Noord geweest om eten te halen.’
‘Op de Kennemerstraatweg zag je mensen langskomen, op zoek naar eten. Soms hadden ze een dode of een zieke op hun handkar. Er hebben er ook wel eens een paar mensen bij ons gegeten.’
‘Over Heiloo vlogen regelmatig van die Engelse bommenwerpers die richting Duitsland gingen. Als het luchtalarm ging, moesten we de kelder in. We hebben er vaak gezeten. Als het luchtalarm afgelopen was, ging mijn vader met zo’n gasmasker de straat op, want er vielen wel eens stukken. Dat vond ik altijd een eng gezicht, zo’n groot, zwaar ding op zijn hoofd.’
Distributiestamkaarten van Anton en Jannie Roest, en bijbehorende distributiebonnen.
Na de oorlog
‘Na de oorlog kwamen er een keer twee kerels in leren jassen bij ons langs. Ze hadden van die grote pennen bij zich die ze door het behang staken. Volgens hen zouden mijn ouders zwarthandelaren zijn geweest die achter het behang voedselvoorraden verstopt zouden hebben. Ik vond het heel eng, van die strakke kerels met van die zwarte, grote jassen aan. Natuurlijk hadden mijn ouders geen voorraden verstopt. Ze hadden immers onderduikers in huis gehad, dan kan je echt geen risico nemen. Het was krankzinnig.’
‘Omdat ik astma had, ben ik in de herfst van 1945 drie-en-een-halve maand naar Zwitserland gegaan om aan te sterken. Ik was twaalf jaar oud. Toen we in Schaffhausen aankwamen, moesten we nog een stukje lopen. We waren allemaal mager en doodmoe, want we hadden er dagen over gedaan om in Zwitserland te komen. Ik ben bij een boerenfamilie in huis gekomen en heb het daar heerlijk gehad, ik kwam kilo's aan. Half januari gingen we weer naar huis. Iedereen sprak alleen nog Zwitserduits. Mijn ouders konden me niet verstaan en ik kon hen niet verstaan. Ik moest eerst weer Nederlands leren voor ik naar de Mulo kon.’
‘Mijn vader kwam als fourageur in dienst van Kamp Schoorl*. Hij ging met de motor heen en weer. Met Kerst of Koninginnedag schijnt hij daar nog een keer een enorme speech gehouden te hebben’
(*Na de bevrijding werd het voormalige Duitse concentratiekamp kamp Schoorl gebruikt voor internering van NSB'ers en collaborateurs. De bewakers waren vaak dienstplichtige soldaten en mensen uit het verzet.)
Foto gemaakt na de oorlog tijdens een feest van de bewaking en personeel van Kamp Schoorl. Alie’s vader staat op de achterste rij, zesde van links. Haar moeder zit op de voorste rij, tweede van rechts. (Foto is privébezit van Alie Roest)
In een stukje voor het blad van de KVV (Vereniging Kinderen van Verzetsdeelnemers), heeft Alie verwoord hoe spannend ze de oorlogstijd vond:
80 jaar vrijheid
Hoezo, waarom?
Een tijdje geleden dook ineens het woord vrijheid uit het niets op. En ik begon spontaan te huilen. Hoezo, waarom?
Ik weet zeker dat ik 80 jaar geleden niet gehuild heb bij de bevrijding. Dagen stonden we, ik als twaalfjarige, te wachten bij de Straatweg. Waarop? Canadezen. Er zouden Canadezen komen. Echt waar!
En ze kwamen, legerauto’s vol Canadezen. Gejuich, applaus, bloemen, van alles. En ik weet zelfs nu nog dat er één ding was. Ik hoefde niet meer bang te zijn dat ik per ongeluk de onderduikers zou verraden. Ze waren vrij!!! En konden nu allemaal gewoon naar buiten. Die gedachte gaf mij rust. Ik kwam namelijk op vier adressen om spullen te brengen. Jarenlang.
Ben nu 92 jaar, heb het nodige meegemaakt, ondanks alles blijft de oorlog in Heiloo aanwezig in mijn lijf. Die zal ik nooit vergeten
80 jaar later, en ik huil.
Alie Roest, Waalwijk (lid KVV)
‘Ik ben nu 93 en heb veel dingen meegemaakt in mijn leven, maar de herinneringen aan de oorlog zijn nog zo verschrikkelijk helder.’ vertelt Alie tot slot. ‘Die oorlogsjaren, van je zevende jaar tot je twaalfde, zie ik nog zo voor me. Je vond het toen allemaal heel gewoon eigenlijk, maar als je achteraf kijkt, dan denk je: wat een krankzinnige wereld is dat geweest.’