Joop Leenderts-van der Mark

Opgetekend door Ingrid op de Velde

Joop is op 22 maart 1927 in Vlaardingen geboren. Ze was enig meisje bij 4 broers. 1 broer was 4 jaar ouder dan Joop, 1 broer 4 jaar jonger, 1 broer 6 jaar jonger en 1 broer 10 jaar jonger. Joops vader werkte op de Sunlight Zeep-fabriek langs de Maas. Daar was hij opzichter bij het lossen en laden van de zeep in de schepen.

In de oorlog werd de fabriek met zeep door de Duitsers ingepikt, maar de mensen uit de fabriek pikten wel ladingen zeep mee naar huis. De portier deed daarvoor wel zijn ogen dicht. De mensen konden die zeep dan ruilen voor andere producten of voedsel. Vlak voor de capitulatie van Nederland, toen Rotterdam werd gebombardeerd, konden Joop en haar familie de rookwolken zien en ruiken. Het kwam allemaal hun kant opgewaaid!

In maart 1944 is Joops vader halfzijdig verlamd geraakt, waarschijnlijk door een infectie. Hij kon zijn benen niet meer bewegen. Hij heeft daarna nog 13 jaar geleefd. Nadat hij verlamt was geraakt heeft hij nog wel op de Sunlight Fabriek gewerkt, maar dan op kantoor. Joop was 13 toen de oorlog uitbrak. Ze ging in september 1940 naar de Huishoud-en Industrieschool. Ze leerde in 4 jaar voor kinderverzorgster. Ze deed in ‘44 examen in Den Haag.

In de oorlogsjaren werd de familie Van der Mark erg geholpen door familie. Ze hadden het niet slecht qua honger. Joops vader had veel connecties van de Sunlight Zeep Fabriek; er werd veel handelgedreven met de zeep-pakken. Joops vader ging eerst naar een waterstokerij (waar je emmertjes warm water kon halen) en daar verpakte hij de Sunlight Zeep in pakken. Vervolgens werd die zeep geruild voor een grote zak aardappelen of meel. Er was ook een ver familielid dat in Kethel woonde en die had veel vlees. Dus ging Joops vader op een speciale fiets waar hij, ondanks zijn verlamming, op kon fietsen naar die familie toe. Daar ruilde hij pakken zeep voor flinke pakken met spek en vlees. Ook ruilde hij pakken vlees van de familie voor pakken zeep, die hij weer kreeg van collega’s van de Sunlight Fabriek. Het was een enorme ruilhandel. Er werd niet aan verdiend, het was alleen maar ruilen.

Er waren ook een oom en tante van Joop die een hele grote huishoudelijke winkel hadden en zij hadden weer connecties met boeren. De boeren leverden producten van het land die ze verruilden voor borden, pannen, servieswerk, etc. Officieel was dit alles op de bon, maar hier werd alles geruild.
Een oom en tante hadden een kruidenierszaak en die schoven ook vaak wat toe. Omdat Joops vader in het laatste oorlogsjaar ziek was, kreeg hij extra bonnen. Zo kon hij extra brood of aardappelen kopen. Maar er waren ook weer familieleden, vrienden en kennissen met moestuintjes, die regelmatig een pan erwtensoep, of groentes en fruit brachten. Zo is de familie aardig goed de oorlog doorgekomen, qua honger.

Tussen Delft en Kethel woonde een verre tante op een boerderij. Daar gingen Joop en haar broertje regelmatig melk halen op de fiets. Flessen melk en soms eitjes of kaas, en dat werd dan in de fietstassen gepropt. Die melk werd thuis dan gelijk gekookt. Eerst ging Joops oudere broer op de fiets naar die tante. Op een gegeven moment was het echter al 19.00 uur geweest en toen was hij nog niet thuis! Omdat je na 19.00 uur niet meer op straat mocht zijn is hij dus in Kethel naar het stadhuis ‘gevlucht’ en heeft daar overnacht! De Duitsers waren immers na 19.00 uur actief op de wegen! Ze hadden ook bij veel boerderijen afweergeschut staan!

Toen Joops broer in het stadhuis was, was er een mevrouw die al die melk voor hem gekookt heeft omdat het anders zuur zou worden! Omdat Joops oudere broer op een gegeven moment al 21 was (in ‘44) kon hij opgepakt worden als er weer eens een razzia was. Duitsers wilden jonge mannen oppakken om voor hen te laten vechten  of te laten werken in het Duitse leger. Dus toen gingen Joop en haar 6 jaar jongere broertje Jaap in de plaats van de oudere broer. Bij die tante in Kethel kreeg je dan eerst een bord pap en vervolgens ging je met fietstassen vol melk, etc naar huis fietsen.

Het was een zware klus, want het was al gauw een uur heen en een uur terug! En de fietsen waren niet zo best! En ze moesten ook in de herfst en in de winter! Joops oma zei dan altijd tegen Joop en haar broertje: ‘als jullie nou Duitsers tegenkomen op de fiets, en het is al wat laat, zeg dan: “Goedenavond!”, en dan laten ze je gewoon door!’ Thuis aangekomen kookte Joops moeder die melk gelijk en maakte daar dan havermoutpap, etc van.

Op de fiets langs al die boerderijtjes kwamen ze dan langs allerlei afweergeschut om de Engelsen tegen te houden. Maar daar stonden dan meestal oude Duitse soldaten bij. En die waren niet zo fanatiek en lieten de kinderen op de fiets gewoon door.
Op een gegeven moment hadden de Duitsers een groot stuk van het platteland onder water gezet, om daarmee te voorkomen dat de Engelsen konden gaan landen. Dus moesten Joop en haar jongere broertje helemaal omrijden en waren ze nog veel langer op de fiets! De melk werd ook vaak weer gebruikt als ruilmiddel met andere mensen. Bijvoorbeeld met een bakker of groenteboer. Het gezin heeft dus wel perioden sober gegeten, zeker toen de hongerperiode was aangebroken in Holland, maar het heeft geen honger gekend. Er was genoeg om te ruilen. Suiker was op de bon, dus als je dat geruild had tegen melk dan was je weer de koning te rijk! Ook kregen ze wel kaas van de boerderijen, dat ze weer konden ruilen. En als je een grote zak met aardappelen had, was je ook weer even tevree.

Joop ging dus naar Huishoud- en Industrieschool in Schiedam, maar hielp daarnaast veel haar moeder, zeker toen haar vader half invalide geworden was. Als Joop naar school fietste, ging ze langs de scheepswerf Wilton-Fijenoord. Dat was een havengebied en in de oorlog hadden de Duitsers deze haven helemaal ingepikt. Ze gebruikten het terrein voor hun Kriegsmarine, en bouwden of repareerden er torpedojagers, mijnenvegers, geleideschepen, landingsvaartuigen en militaire veerboten. Joop ging om 8.00 uur van huis weg en was ongeveer om 17.00 uur weer thuis. Meestal ging ze fietsen, maar soms ging ze met de bus. Als ze met de bus ging, ging ze van Vlaardingen naar het Centrum van Schiedam en daar stapte ze uit om vervolgens lopend naar school te gaan. Dat was te doen.

Joop zat in totaal vier jaar op school en het laatste jaar was ze in opleiding voor kinderverzorgster. Op 1 dag eind 1943 ging Joop samen met 3 klasgenootjes (waaronder ook haar nichtje) van school lopen naar de bushalte. Ze liepen over de dam in Schiedam. Dat was een hele brede straat met een heel breed trottoir over de haven. De meiden liepen met zijn 4-en naast elkaar, en hadden dikke pret. Toen kwamen Duitsers hen tegemoet.
Joops nichtje gaf haar met haar heup een zetje, zodat Joop ging wankelen. Net op het moment dat ze eigenlijk opzij hadden moeten stappen voor de Duitsers! Maar dat deden ze niet!

Dus: "Halt!" "Personalausweis!!!" De dames moesten alle 4 hun persoonsbewijs laten zien en inleveren, want het was immers zeer kwalijk dat ze niet opzij waren gestapt (aldus de Duitsers…)! Dit was een ernstig vergrijp! De volgende ochtend op school waren alle leraressen in alle staten en riepen dat de 4 meiden bij de Ortskommandant moesten komen! “Daar moeten jullie je persoonsbewijs gaan ophalen!” Dus gingen de 4 meiden met hangende kopjes naar de Ortskommandant en daar kregen ze een hele preek in het Duits! Er zaten ook veel NSB'ers bij. De meisjes zeiden vaak: “We verstaan u niet!” Ze kregen hun persoonsbewijs nog niet terug, en ze zouden er nog wel van horen!

Begin ‘44 kregen alle 4 een brief in de bus dat ze in een hele dure laan in Rotterdam moesten komen. (Allerlei hoge Duitsers hadden hun intrek genomen in dure villa’s in Rotterdam). Joops vader ging mee (hij was toen nog niet invalide) en zo gingen ze naar de chique villa toe en kwamen opnieuw bij de Ortskommandant. Joops vader moest in de hal wachten en de 4 meisjes kregen weer een hele preek waarbij de Ortskommandant hen vroeg of ze wel wisten wat er zou gebeuren als ze het nog eens zouden doen! Dan moesten ze naar Vught! En of ze wel wisten wat Vught was!!! Een concentratiekamp!!!

‘Dus nog een keer niet opzij stappen voor Duitsers: Naar het concentratiekamp!’

Daarna kregen ze hun persoonsbewijzen terug en werden ze naar een grote lege ruimte gebracht. In die zaal stond achter Joop een man in Duits uniform die riep: “Johanna is bang!”  Waarop Joop zich omdraaide en antwoordde: “Nee hoor! Ik ben helemaal niet bang! Ik heb niks gedaan!” “Ja hoor”, zei die soldaat, “dat zeggen ze allemaal!” Daarna mochten de meiden weer vertrekken. Joop was niet bang voor die soldaat, maar wel doodsbang dat de Duitsers haar vader daar zouden houden! Hij was immers lang, slank en 48 jaar, en Joop was bang dat ze hem wilden houden voor het Duitse leger! Gelukkig mocht hij mee naar huis. Soms was er een razzia waarbij de Duitsers op zoek waren naar ondergedoken Joden of mannen die mooi in het Duitse leger konden werken.
De Commissaris van de politie kende Joops oom. Die Commissaris hoorde dat er een razzia zou komen en waarschuwde Joops oom.

Vervolgens zorgde die oom dat o.a. Joops broer, maar nog vele andere jonge mannen en mannen van geschikte leeftijd ondergedoken zaten in o.a. de Remonstrantse kerk, onder in de klokkentoren. De radio was verstopt onder de grond. Af en toe werd er geluisterd naar ‘Radio Oranje!’ Soms konden ze Koningin Wilhelmina horen op de radio. Af en toe liep Joop naar Vlaardingen, naar haar tante. Die had een piano, en daar mocht Joop op spelen. Toen ze nog naar school ging, ging ze regelmatig vanuit school daarheen. En later toen ze niet meer naar school kon, ging ze ook nog. Al lopende kwam Joop dan langs een café waar vaak Duitsers op het terras zaten. Ze waren altijd zeer gedisciplineerd; ze floten haar nooit na!

Joop had zelf geen Joodse vriendinnetjes, maar ze weet nog wel dat er ineens op school twee meisjes weg waren! Er werd gefluisterd: “Hennie en Co de Joden zijn weg!” Joop dacht eerst dat ‘de Joden’ hun achternaam was, maar later dacht ze dat het twee Joodse meisjes betrof! Ze waren ineens weg en kwamen ook niet meer op school! Ze zaten waarschijnlijk ondergedoken. Er woonden een NSB-gezin vlakbij. Een vader, moeder en een zoon.

Naast het gezin Van der Mark woonde tante Marie (zus van Joops moeder) met haar zoon en dochter Fie. Fie was nogal jongensachtig en droeg toen vaak broeken (wat in die tijd zeer ongebruikelijk was)! Als de zoon uit het NSB-gezin tegen Fie riep: “Jongen!”, dan riep Fie keihard terug: “NSB-er!”

In ‘44 werd Rotterdam vaak gebombardeerd door de Engelsen. Ook Wilton-Fijenoord, waar immers veel Duitse marine lag, was in trek bij de Engelsen!  Dat soort bombardementen hadden ze ook in de gaten in Vlaardingen-Ambacht! Je zag dan al die vliegtuigen over de Maas vliegen richting het havengebied Joop was altijd blij als het onweerde! Dan was het tenminste geen bombardement! Als de bombardementen dichterbij kwamen dook het gezin Van der Mark wel de kelder in. Door die bombardementen op Wilton-Fijenoord vond Joops vader het niet langer goed dat Joop naar school ging. Dit was te gevaarlijk geworden! Dus dat was wel even omschakelen. Niet meer naar school….

Joops nichtje was nog wel gegaan. Toen zij op het station van Schiedam stond, werd net Rotterdam weer gebombardeerd en zag het nichtje de muren van het station helemaal heen en weer bewegen! Behoorlijk gevaarlijk dus! Tijdens de Hongerwinter hadden de Zweden van de Duitsers toestemming gekregen om voedselpakketten te droppen. Al die Zweedse vliegtuigen vlogen o.a. de Maas over. Joops vader ging dan, ondanks zijn invaliditeit, met krukken strompelen naar het platje en ging met een laken staan zwaaien! Mensen zaten ook op het dak te zwaaien met witte lakens!

Zeer indrukwekkend! Joop bleef nog wel met haar broertje fietsen naar de boerderijen. Dan moesten ze wel oppassen, want er konden weer geallieerde vliegtuigen overvliegen en bombardementen beginnen!

Na de oorlog kwamen alle ondergedoken mannen weer terug. Dat was natuurlijk heel fijn! Ook voor de broer van Joop! Joop is Remonstrants opgevoed, en zij ging op zondag altijd naar de zondagsschool en op latere leeftijd naar catechisatie. Niet haar broers, maar Joop wel. Op die zondagsschool had Joop ook een club met allemaal meisjes maar ook jongens! Na de bevrijding kwamen die knullen allemaal tevoorschijn met geweren en toen bleek dat ze ook in het Verzet hadden gezeten!

Joop heeft geen afrekening met Duitsers of NSB’ers gezien.

Er was een geweldige optocht met Hollandse vlaggen om de bevrijding te vieren!