Ton van Hugten

Opgetekend door (J) Sjef Smeets

Vandaag, 13 augustus 2026, noteerden we te Eindhoven, in het huis en in de kamer waar hij 88 jaar geleden op 11.7.1938 ook geboren is, de oorlogsherinneringen van de heer Ton van Hugten:

 

Na Rinus (1924) en Ria (1931) was ik het derde kind van mijn ouders, Thieu van Hugten en Mien van Hugten – Jacobs.

Wij waren bang voor de vele Duitse soldaten, die we overal zagen lopen. Die gingen bijvoorbeeld hier in de straat naar het winkeltje van Tante Bets, waar ze van alles meenamen zonder te betalen. Het was verboden om een radio in huis te hebben. Maar mijn vader wilde de radio niet inleveren. Hij groef een heel groot gat in de tuin en deed daar de radio in. Na de oorlog gingen we kijken of er iets van over was. En hij was nog helemaal in tact. Mijn vader had het toestel dan ook in een zinken kist gedaan voordat hij de grond in ging.

Het was ook nog even spannend of mijn broer misschien wel voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland zou moeten. Maar mijn vader was bevriend met een paar mensen op het stadhuis. Die regelden dat Rinus een Ausweis kreeg, een bepaald pasje, dat hem vrijstelde van opgepakt worden voor verplicht vertrek naar Duitsland.
Het was voor mijn ouders een verschrikkelijk spannende tijd. Mijn moeder zei later vaak dat door alle alsmaar toenemende zorgen de oorlog voor haar gevoel geen vijf, maar tien jaar geduurd had.

Mijn vader werkte bij Philips, maar had ook een fietsenreparatiewerkplaats, aanvankelijk met een klein winkeltje, hier waar nu onze voorkamer is. Af en toe moest ik banden voor hem plakken.

Vader van Hugten aan het werk

 

Eten was soms schaars. We aten, in mijn herinnering alleen maar appels, waar mijn moeder allerlei gerechten van kookte. Dat deed ze heel creatief, waardoor het telkens net weer een beetje anders smaakte dan de vorige keer. Andere mensen gingen de boer op, maar mijn vader was niet zo’n held en mijn broer ook niet. Juist de eerste tijd na de bevrijding hadden we de grootste moeite om aan voldoende eten te komen. Rinus raakte goed bevriend met Ome Karel, een broer van mijn moeder. Die Oom werkte bij het spoor, waarmee ook kolen aangevoerd werden om de huizen te verwarmen. Ze gingen samen op stap en dan kwam Rinus met kolen thuis. Mijn vader zou ook eens ’n keer meegaan. En kwam thuis met een zak sintels. (Niet volledig verbrande resten van steenkool, cokes of hout, die achterblijven na een vuur.) Daar was natuurlijk geen vuur meer uit te halen.

Wat me nog scherp bij staat is wat er gebeurde op 19 september 1944, ’s daags nadat Eindhoven bevrijd was. (85 Duitse JU-88 en Stuka duikbommenwerpers bombardeerden het centrum, waarbij meer dan 200 mensen omkwamen en 800 inwoners gewond raakten. Doel van de aanval was de doorgangsroute van het Britse legerkorps, op weg van het nabije België naar Arnhem te blokkeren.) De oranje lichtkogels die de bommen voorafgingen, werden door inwoners aanvankelijk nog aangezien voor feestvuurwerk. Mijn broer vertrouwde het niet en pakte me vast. Projectielen kwamen toen ook in onze straat neer. Bij de familie Walenberg hier schuin tegenover stortte de voorgevel in.
Zij hebben dat wel overleefd. Maar wij vroegen ons bang af wanneer ons huis aan de beurt zou komen. Wij zaten met het gezin en nog meer mensen in de kleine kelder, die grensde aan de keuken met de vluchtweg naar de tuin toe. Mijn moeder ging boven op mij liggen ter bescherming, En natuurlijk baden we als katholiek gezin luid Weesgegroetjes. Het bombardement bleef maar doorgaan. Boven ons hoofd gingen alle ruiten van het huis eruit. Een granaat of delen van een splinterbom vielen hier op de stoep. Na afloop van de aanval hing er een oranje gloed over de stad, zoals ik me nog goed herinner. Mijn vader was bij de Luchtbescherming en voordat het bombardement begon al opgeroepen. Mijn moeder was bang dat hij gewond zou raken of misschien wel niet meer levend thuis zou komen. (De Luchtbeschermingsdienst werd in 1939 opgericht om burgers te beschermen tegen luchtaanvallen. En te wijzen op maatregelen die de mensen zelf konden nemen. Een belangrijke taak werd het controleren op de verplichte verduistering en verzorgen van het luchtalarm.)

De ruiten van ons huis werden vervangen door zogenaamd “oorlogsglas”, waar je nauwelijks door naar buiten kon kijken.  (Omdat normaal vensterglas niet te krijgen was, gebruikte men slecht getrokken of golvend glas waardoor de buitenwereld sterk vervormd en wazig werd weergegeven.) Maar alles beter natuurlijk dan dat het door het huis heen bleef waaien en binnen regenen.

Ik zag ’n keer een stuk draad uit de grond steken. Toen ik daaraan trok kwam er een metalen kistje met heel veel papiergeld erin boven de grond. Ik kon het openmaken zonder sleuteltje. Een dief had met die draad de plaats gemarkeerd waar hij het kistje later op wilde halen. Toen ik ermee onze straat in liep, zag ik mijn moeder met andere mensen staan praten. Dus ik riep al van een afstand: “Moeder, we zijn rijk.’’ Toen wist  de hele buurt meteen wat een grote vangst ik had gedaan.

Waar kwam dat geld vandaan? Een overbuurjongen bleek ingebroken te hebben bij een Etoswinkel. Die winkelier wilde het geld natuurlijk terug hebben. Al het papiergeld was doornat en zat in het kistje aan elkaar geplakt. Dus mijn vader heeft alle biljetten voorzichtig van elkaar los gemaakt. Wat daarbij kapot scheurde plakte hij weer aan elkaar. In ons hele huis lag toen overal papiergeld te drogen. De Etoswinkelier vroeg waar hij mijn vader een plezier mee kon doen. Vader zei: “Wij zijn binnenkort 25 jaar getrouwd.” Waarop de winkelier zei: “Dan zorgen wij voor het gebak.” Het was wel “oorlogsgebak”, dus niet van de beste kwaliteit. Maar er was gebak op het feest. De mensen waren het echter ontwend en ook door de slechte kwaliteit bekwam het veel van de feestgasten niet goed.

Een deel van het projectiel, dat voor ons huis op de stoep neerkwam, heb ik als aandenken in vier delen van een stoeptegel gezet. Na de bevrijding gebeurde er iets verschrikkelijks. Hier op de Tongelresestraat werden mensen, omdat ze fout waren geweest in de oorlog, bij elkaar gedreven en kaalgeschoren.
Het was er een drukte van jewelste. Ik was nieuwsgierig en wrong me door de massa kijkers om vooraan te kunnen staan. Ik vond het eigenlijk, met alle luid gejoel van de omstanders en al die haren op de grond, geen plezierige ervaring.

Er is ook nog een Engelse militair bij ons ingekwartierd geweest. Hij lag met zijn legeronderdeel hierachter in een wei. Hij at en sliep bij ons. Zijn geweer en andere spullen lagen hier gewoon in de kamer. Dat was Wally uit Wolverhampton.

 

 

Wally in 1944            

Na de oorlog in onze tuin samen met echtgenote Nora

 

Mijn broer is een keer daar geweest. En later hebben Wally en zijn vrouw Nora ons hier een tegenbezoek gebracht. Ze hebben toen hier bij ons ook geslapen.