Guus de Kok
Opgetekend door (J) Sjef Smeets
Vandaag, 14 juli 2026, noteerden we in Eindhoven de oorlogsherinneringen van de, aldaar ook op 12.10.1934 geboren, heer Guus de Kok:
Mijn ouders, Adriaan de Kok en Janneke de Kok – Blankenburg hadden toen de oorlog begon al zes kinderen: Jaap (1930), Jan (1932), Leen (1932), ikzelf (1934), Frans (1936) en Wim (1939). Dochter Ria kwam erbij in 1942.
1940 v.l.n.r. Jan, Jaap, Guus, Wim, Frans
Mijn vader was paardenknecht in Nieuwdorp (gemeente Borsele in de provincie Zeeland) en studeerde voor douanier. Een volle neef van mijn vader, Pieter Dekker, de latere Philipsbaas Wisse Dekker, zorgde ervoor dat mijn vader aan het werk kon bij Philips. Hij zei: “In plaats van het dubbeltje dat je in Zeeland bij de boer kunt verdienen, krijg je bij Philips een kwartje.” Hij begon hier in Eindhoven in de kartonnage, de industriële productie en verwerking van karton tot specifieke (verzend)verpakkingen. Hij had het huis gekocht waar we tijdens de oorlog in woonden. Dat was aan de doorgaande Geldropseweg tussen Geldrop en Eindhoven. Daar kwamen vaak Duitse legerwagens voorbij. Mijn broers en ik zaten er op de schutting naar te kijken, toen ’n Mercedes bij ons voor de deur stopte. Een officier stapte uit, belde bij ons aan en zei: “Wasser bitte”. Mijn moeder dacht dat hij plassen moest en bracht hem naar de WC. Ernaartoe liepen ze samen door de keuken. Daar pakte hij een waterketeltje en toen wist mijn moeder wat de man bedoelde. Ik vroeg wat hij gezegd had. “Wasser bitte” dus. Dat waren de eerste Duitse woorden die ik leerde.
Verder merkten wij tot 1942 weinig van de oorlogssituatie. Toen begon het dat regelmatig geallieerde vliegtuigen over ons huis vlogen, van Engeland naar Duitsland en terug. Op de Paterskerk, in het centrum van Eindhoven, stond een groot verguld Christusbeeld. Dat was in 1942 opeens grijs geverfd, zagen we toen we er op ‘n zondag langs fietsten op weg naar onze eigen Protestantse kerk. De Duitsers wilden niet dat het schitterende vergulde beeld als baken kon dienen voor de vliegers, die zich hier groepeerden als ze van alle kanten aangevlogen kwamen. We hebben dat vaak gezien als we op het plat dak van de keuken zaten.
De luchtgevechten zagen we ook vaak boven ons als we op school, de Christelijke Nationale School oftewel “de school met de bijbel”, waren. Als de sirene ging, dan moesten we met alle kinderen in de gang gaan zitten. Het vuur van het afweergeschut van de Duitsers, op de lichttoren van Philips midden in Eindhoven, zagen we ook. Maar die konden de vliegtuigen niet bereiken, die meestal ’s zondags kwamen, omdat er dan geen arbeiders voor de Duitsers in de Philipsfabrieken aan het werk waren. Tijdens het grote bombardement, 6 december 1942, logeerde ik bij mensen in de stad. We kropen onder de tafel, maar die stond boven ons te dansen. Het was een hels lawaai, weet ik nog wel. (Het zogenaamd “Sinterklaasbombardement” door de Royal Air Force met de codenaam Operation Oyster, was bedoeld om de productie van onder andere radio-onderdelen voor de Duitsers lam te leggen . Hierbij kwamen 140 burgers en 7 Duitse soldaten om het leven. J.S.)
Mijn vader was ouderling en mocht dus ’s avonds ook bij mensen op bezoek gaan. Dat kwam zeer van pas, want hij zat bij het stille verzet en bracht blaadjes “Trouw” rond. (“Trouw begon op 18 februari 1943 als een illegale verzetskrant, opgericht door orthodox-protestantse verzetsmensen. J.S.)”.
Verzetsleider was hier de heer Voorhoeve, maar ook Dominee Zeil van onze Oosterkerk. Hij liet altijd aan het eind van de kerkdienst het Lutherlied, “Een vaste burcht is onze God”, zingen. (Een beroemd kerklied, geschreven door Maarten Luther rond 1529. Het is gebaseerd op Psalm 46 en staat bekend als het strijdlied van de Reformatie.) Er zaten ook Duitsers in de kerk, maar die vonden het niet zo leuk als wij dat uit volle borst zongen, als een “plaatsvervanger” voor het Wilhelmus, dat we niet mochten zingen. Miche, de zoon van Dominee Zeil, vertelde dat de Duitsers bij zijn vader kwamen klagen. Waarop zijn vader dan zei: “Dat snap ik niet. Nou zingen we een Duits lied en dan is het toch niet goed?”
Het Lutherlied
Als we met eieren, melk, aardappels terugkwamen van boer Poeijers, dan hadden we wel eens problemen met de Landwachters. Die wilden ons wat afpakken als we meer dan één zak verse etenswaar bij ons hadden. Dus liepen we door het weiland om ze te ontwijken. Ik kreeg ook vlees mee naar huis, als er een varken geslacht was. Mijn moeder smolt het vet, mengde het met de reuzel en met stroop. Dat smeerde ze op het brood in plaats van boter. (De Landwacht was een Nederlandse paramilitaire organisatie die op 12 november 1943 door de Duitsers werd opgericht. J.S.)
Bij ons naast hadden ze twee huwbare dochters. En de Nederlandse jonge mannen waren ondergedoken of weg voor de Arbeitseinsatz. De meisjes hadden dus geen jongens van hier om mee te dansen. Dus dansten ze met de Duitsers. In de beoordeling maakten de mensen verschil tussen dienstplichtige Duitsers en beroepsmilitairen. De buurmeisjes raakten bevriend met een paar Duitsers, die er dus ook thuis kwamen. Mijn broer Frans werd er een keer door een Duitser op z’n knie genomen. Die vroeg aan Frans of hij nog een leuk grapje kon vertellen? Die vertelde toen: Er was een vrouw, die had een papegaai. Als bij haar een Duitse officier op bezoek kwam, dan riep die papegaai: “Hitler is dood”. De buurvrouw kneep hem natuurlijk. Toen kwam de pastoor bij haar op bezoek en vertelde zij dat ze met die papegaaien-uitspraak in haar maag zat. Waarop de pastoor zei: “Dan ruilen we toch van papegaai” Zo gezegd zo gedaan. En mijn broer vertelde verder aan de Duitser dat de pastoor z’n papergaai niets zei. Waarop de Duitser aan de papegaai vroeg om nog eens te zeggen “Hitler is dood”. Waarop de papegaai zei: “Laat ons danken”. De Duitser schaterde van het lachen.
Maar de min of meer innige contacten met de Duitsers liepen niet altijd zo plezierig af. Wij hadden contact met een aardig gezin van een Geldropse aardappelboer. Zij brachten de aardappelen aan de deur, tot dat ze opeens wegbleven. De vader kwam ons zelf vertellen wat er gebeurd was:
“Een dochter had verkering gekregen met een Duitse sergeant. Haar broers vonden dat verschrikkelijk. Op een avond kwam hun zus niet thuis. Een van de broers pakte toen een broodmes en samen togen ze naar de plek waar de zus met haar vrijer was. Die werd ter plekke met een broodmes vermoord. Beide broers werden opgepakt. Een werd geëxecuteerd, de andere naar een kamp in Duitsland gebracht. Daar heeft hij het heel zwaar gehad, maar hij heeft het wel overleefd.”
Van bij ons huis tot aan het begin van Geldrop stonden links en rechts allemaal dikke eikenbomen langs de weg. Daaronder moesten mensen voor de Duitsers schuttersputjes graven. Voor ons huis hadden de Duitsers een kanon opgesteld. Toen de Amerikaanse parachutisten op 17 september 1944 landden bij Son, zei een Duitse militair tegen mijn vader: “Jullie moeten maken dat je hier wegkomt, want wij gaan zo meteen hiervandaan met het kanon schieten. En wij kunnen er niet voor instaan wat dan gebeurt.” We zijn toen met ons gezin naar Eindhoven gelopen, waar we een nacht hebben doorgebracht bij kennissen in de Tongersestraat. De volgende dag lagen de Amerikanen bij ons voor de deur.
Na het passeren van de Amerikanen vonden wij in het gras langs de weg een soort sparappels. Dat dachten wij. Maar het waren echte granaten, die ze in de schuttersputjes gooiden om de Duitsers eruit te halen en gevangen te nemen. Wij voetbalden met wat wij voor sparappels hielden, totdat een van die Amerikanen naar me toe kwam en me een pak slaag gaf. Hij pakte een van die “voetballen” op, liet zien dat het een granaat was, trok de pin er uit en gooide ‘m in het weiland. Toen snapte ik dat we veel geluk hadden gehad. En later zagen we de Duitsers ook weer bij ons voorbij komen met de handen in de lucht.
Zij liepen mee naar het begin van de Eindhovense bebouwing, waar een gevangenis was voor wel 500 Duitsers. In een weiland daar vlakbij landde ook het vliegtuig van de Britse generaal Montgomery, die dan bij ons voorbij reed naar het Engelse kamp in Geldrop.
Toen de Duitsers zich terugtrokken, gooiden die allerlei overtollige munitie in kuilen, die ontstaan waren doordat er ooit leem uitgegraven was voor de steenfabriek. Wij visten een machinegeweer en munitiebanden eruit. Die banden gooiden we samen met olie in een hoge ton. Tussen elke 10 kogels zat een lichtkogel in die band. We staken het zaakje in brand. En hesen die ton met een hijskraan omhoog. Je hoorde de kogels ontploffen en zag vanaf ons balkon ook telkens tussendoor de lichtkogels ontbranden.
Ik stak ’n keer de weg over bij ons voor de deur toen er vliegtuigen overkwamen. Ik vloog van de schrik onder een Engelse legerwagen, die over mijn benen heen reed. Daar stapte een negersoldaat uit, die dokter bleek te zijn. Hij bracht me thuis binnen en verbond daar mijn benen. Ik had niets gebroken. Die avond zaten we in de keuken toen we dachten vuurwerk te zien. Maar dat waren Duitse brandbommen. Mijn vader had samen met de buren achter het huis een schuilkelder gebouwd. Maar daarin hielden we het niet uit. De lucht was vol licht en lawaai en je besefte niet wat je zag. De Duitsers bombardeerden toen alle toegangswegen naar Eindhoven om de geallieerde opmars te belemmeren. Mijn vader was EHBO-er. Hij werd opgeroepen om in de Eindhovense wijk Woensel te gaan helpen, waar ook veel mensen slachtoffer waren geworden van het bombardement. Veel gedode Eindhovenaren moeten uit het puin gehaald worden. Toen mijn vader thuiskwam vertelde hij dat ze ook bij een neergestort Duits vliegtuig waren geweest. Op een plattegrond met het bombardementsplan, die ze daarin vonden, zag hij een groot kruis staan bij ons huis, want wij woonden. Dat was immers ook aan een weg naar Eindhoven. Inderdaad waren toen bommen rond om huis gevallen. Ik ruik de kruitdamp nog, als ik er aan denk. Maar het huis bleef gespaard.