Peter Buddemeijer
Opgetekend door (J) Sjef Smeets
Vandaag, 17 augustus 2026, noteerden we in Eindhoven de oorlogsherinneringen van de, op 27.3.1936 te Eersel (N.Br.) geboren, heer Peter Buddemeijer:
In de oorlogsjaren telde het gezin van mijn ouders, Toon Buddemeijer en An Buddemeijer – Heerius, drie kinderen. Naast mij waren er Rini (1939) en Annemieke (1941). Yvonne kwam er nog bij in 1947. Daarna is al snel deze foto gemaakt bij het Communiefeest van Annemieke:
De eerste keer dat ik echt iets van de oorlog merkte was op de lagere school, toen we moesten oefenen om zo veilig mogelijk te schuilen tijdens ’n luchtalarm. Je moest dan helemaal in elkaar gedoken onder je bank gaan liggen en je koest houden. Ik zeg je dat je het, toen het menens werd en dat jankding dat boven op de school stond afging, dan niet breed had. Dat er gebeden, gehuild en om mama werd geroepen. Altijd ging het om eskaders Engelse bommenwerpers die richting Duitsland vlogen maar wisten wij veel en is er gelukkig onder schooltijd nooit echt iets gebeurd. Op zekere dag kregen we in de klas nieuwe leesboekjes terwijl we de mooie, spannende, oude nog niet uit hadden. Ons werd toen verteld dat er iets van onze koningin Wilhelmina in stond en dat was door de bezetters verboden. Ook daar bemoeiden ze zich mee.
Mijn moeder stuurde me zo laat mogelijk naar school zodat ik hard moest lopen om op tijd te komen. Ook op de terugweg moest ik snel zijn, allemaal om bij alarm maar binnen te zijn. In de winter hadden we ooit wekenlang vrij omdat er geen kolen meer waren om de cv. - ketel te stoken of geen glas voor de kapotte ramen.
Op ’n gegeven moment kwam er langzamerhand gebrek aan van alles bv. schoenen. De hoofdfrater Lambert, die met de week zag dat het aantal leerlingen toenam dat niet naar school kon komen omdat ze geen schoeisel hadden, wist er raad op. Via ’n relatie wist hij ’n grote partij kinderklompen te regelen. Zo konden ouders na school bij het hoofd klompen kopen en liepen de klassen weer vol. Nadeel was dat de kap snel inscheurde maar ook daar wist de schoolraad op. De frater repareerde met ’n ijzeren spijkerbandje onze klomp weer.
Maar dan wordt het december 1942. Ondanks de schaarste die ook bij ons heerste, hadden onze ouders op 6 december voor wat cadeautjes gezorgd die morgen. We gingen, toen het nog donker was, al zingend de trap af en mochten als eerste de kamer binnen waar op de tafel, die met ’n wit tafelkleed was gedekt en met rood lint in 3 vakken was verdeeld, onze cadeautjes stonden. Een ervan was ‘n toverlantaarn. Geweldig vonden Rini en ik dat.
Zo rond ’n uur of 12 die zondag hoorden we dat ons vader had besloten om naar oma Buddemeijer te gaan want de Sint had ook voor haar wat bij ons gebracht. Dat waren 2 mooi verpakte cyclamen. Mijn broertje Rini en ik mochten met hem op de fiets mee naar de Hoogstraat 87. Rini voor- en ik achterop.
Zoals gewoonlijk was de Woenselsche overweg bij de Philips lichttoren dicht. De voetbrug over het spoor was met de fiets en ons erbij niet te doen, dus wachten en wachten. De klok wees 12.30 uur.
Plotseling brak de hel los. Vanuit richting P.S.V.-stadion vlogen Engelse bommenwerpers op geringe hoogte met donderend lawaai over terwijl ze vlak voor ons op ongeveer 50 m. de Philips fabrieken bombardeerden. Dat was tenminste de bedoeling maar er waren veel missers helaas. Door zeer laag aan te vliegen werden de 83 bommenwerpers en 10 Mosquito jagers niet opgemerkt door de Duitse radar en was er geen luchtalarm. Er brak grote paniek uit bij de vele wachtenden bij de overweg door de bomexplosies, het ratelen van het Duitse afweergeschut dat boven op de Philipslichttoren was opgesteld, het gekrijs van mensen al of niet gewond en de branden die overal uitbraken.
Met ’n groepje mensen werd ergens ’n buitendeur ingebeukt om te kunnen schuilen. Lang hebben we het daar niet uitgehouden omdat door de overal brandende fosfor ook de voordeur vlamvatte en er veel rook- en warmteontwikkeling was. Toen de tussendeur was geforceerd kwamen we in de behandelkamer van, wat later bleek, huisarts Verhagen. De enige vluchtweg die restte was ’n geblindeerd raam. Ondertussen loeiden in de hele stad de sirenes angstaanjagend. Zouden er nog meer bommen gaan vallen? De ruiten gingen met hulp van ’n toevallig aanwezige deken aan diggelen zodat we naar buiten konden ontsnappen. Daar stonden we dan met ons drieën in de ommuurde tuin van de dokter waar overal nog brandende fosfor lag. “Naar huis, naar huis” moet ons vader hebben gedacht. Het eerst pakte hij mij beet, tilde me over de muur, liet me langzaam zakken en toen los. Even daarna volgden mijn broer en hij zelf. Toen haastig naar huis zonder cyclamen en, dat was erger, ook zonder fiets. Het voornaamste echter was dat we het er, God zij dank, heelhuids hadden afgebracht.
De voettocht terug naar huis, gedeeltelijk over puin, was verschrikkelijk. Wat we toen gezien hebben aan menselijke ellende, daar heb ik geen woorden voor……De treurige aanblik van al die kapotte nog brandende huizen, de af- en aanrijdende hulpdiensten kwam daar nog bij. Afschuwelijk was het allemaal.
Toen we ons huis naderden zagen we het al, net als overal was ook bij ons glasschade. De grote ruit van de voorkamer was gesneuveld. Glas was niet te koop dus dat werd dichtplanken. Maar wat gek was: de voordeur stond op ’n kier. Ons moeder bleek met Annemieke, uit angst, in de buurt haar toevlucht te hebben gezocht. Wat waren we blij elkaar ongedeerd terug te zien!
En die voordeur dan? Nou mijn moeder was helemaal niet vergeten die te sluiten maar door de luchtdruk van de ontploffingen was de ijzeren slotkom in de stijl van de deur volkomen uitgescheurd waardoor de deur open was gevlogen. Die dag hebben we de toverlantaarn niet meer gebruikt.
Ter verduidelijking: De codenaam voor het R.A.F.-bombardement luidde: OYSTER en had als doel de Philipsproductie van voor het Duitse leger bestemde onderdelen lam te leggen. Om zo min mogelijk slachtoffers te maken werd de zondag gekozen. Toch vonden nog 138 Eindhovenaren toen de dood. Er waren ook 7 Duitse soldaten die het afweergeschut op de Philips lichttoren bedienden, het slachtoffer. Door de enorme luchtdruk werden die als veertjes van de toren geblazen.
Omdat de dreiging van en angst voor bombardementen steeds groter werd, besloot vader in de tuin ’n half verzonken schuilkelder te laten bouwen. Tot dan schuilden we als de sirenes gingen in de keuken omdat daarboven ’n plat dak was en dus het minste puin viel te verwachten. In die kelder waren tegen de aarden wanden zitplaatsen aangebracht voor ongeveer 10 personen en achterin ligplaatsen voor 2x2 kinderen.
Ik schat dat we toch zeker tussen 10 en 20 keer in dat vochtige, koude en donkere ding, bij petroleumlicht, kortere of langere tijd al biddend hebben doorgebracht. Dat was vooral ’s Nachts, want ook dan gebeurde het dat het luchtalarm ging, beslist geen pretje. De dreiging kon ook komen van overkomende V1 en V2 vliegende bommen. Zolang de vlam aan de achterkant zichtbaar was en de straalmotor hoorbaar, was er geen gevaar maar als dat stilviel kwam het gevaarte naar beneden en kon het grote verwoestingen aanrichten. In de Gildelaan, niet ver van ons huis is er op 16-12-1944 een neer gekomen. Die richtte tot in de verre omtrek grote schade aan. Een keer is het gebeurd dat een van onze kippen door ’n scherf getroffen, dood in de ren lag. Hadden we in ieder geval weer ’n lekker maaltje.
Op ’n kwade dag werd er weer eens hard op de voordeur gebonkt. Wij dachten daar heb je Johnnie weer met de houten poot. Niets was minder waar. Twee Duitse soldaten! Dat was schrikken zeg. Konden niet eens gewoon aanbellen. Ze blaften dat ze koper kwamen halen! Ze drongen gewoon de gang in en hadden de eerste buit al te pakken. Twee mooie grote koperen borden met afbeeldingen die daar aan de muur hingen werden eraf gerukt en op ’n militaire vrachtwagen gegooid die langzaam door de straat reed. Zo kwam iedereen aan de beurt. Daar maakten ze in Duitsland hulzen van voor hun granaten, de schurken!!! Hadden we nog geluk dat ze het geheime luikje in de houten vloer in de huiskamer waaronder ‘n radiootje was verstopt, niet ontdekten.
Koper was niet het enige dat ze roofden. In 1943 werden uit onze kerk, zoals overal in ons land, de klokken gestolen. Ze waren ook bestemd voor de oorlogsindustrie. Die zullen wel bij de Krupp fabrieken in Duitsland terecht zijn gekomen, de schurken!!!
Bijna iedere week plakten de moffen de stad vol met nieuwe bekendmakingen van dingen die moesten of juist niet mochten. Iedereen werd geacht die gelezen te hebben. Zo kwam het dat alle ramen waarachter licht brandde, afgeplakt dienden te worden met speciaal zwart verduisteringspapier om te voorkomen dat geallieerde piloten zich gemakkelijker konden oriënteren. Ook op straat mocht er geen enkele lamp branden, met als gevolg dat het er meestal aardedonker was. Zelfs het met bladgoud beklede Christusbeeld dat op de paterskerk in de stad stond, moest zwart geschilderd worden.
Bij Philips hebben ze toen de knijpkat uitgevonden. Heel handig, want batterijen waren natuurlijk niet te koop en je kon elkaar nu ook aan horen komen want dat ding maakte nogal veel lawaai. Na 8 uur gold de avondklok en mocht er, behalve diegenen die ’n “ Ausweis ” hadden, geen burger op straat komen. Je kon dus ’s avonds nooit ergens op bezoek. Het was maar goed dat wij toen niet wisten wat ons vader allemaal deed. Hij durfde erg veel, was nergens bang voor. Smokkelen was streng verboden maar hij trok er zich niets van aan. Eens probeerde hij per trein ’n rolletje leer van Gilze-Rijen naar huis te krijgen Hadden wij weer zolen om op te lopen. Onderweg was er plotseling Duitse controle. Hij heeft toen het raam laten zakken en het leer aan de buitenkant van het portier aan de klink vastgebonden. Mooi dat ze het niet vonden maar toen was er weer ’n controle in de spoorwegtunnel onder het (oude) station. Het leer werd in beslag genomen en hij moest mee naar de politiepost op de Vestdijk. Daar zei hij dat hij heel dringend naar het toilet moest en is toen via het raampje ontsnapt. Kwaad dat hij was toen hij, zonder leer, thuiskwam!
Hij verkocht ook wel eens vlees als hij weer eens wat clandestien had geslacht. Om grote moeilijkheden te voorkomen werd dat verborgen in het ”keldertje” van de kinderwagen en dan moest m ’n moeder, met of zonder ons Annemieke erin, naar het afleveradres. In die hoedanigheid kwam mijn vader ook bij Philipsbazen, die een stukje vlees wilden kopen. Philipspersoneel was vrijgesteld van de Arbeitseinsatz in Duitsland. Dus toen de grond een beetje heet werd onder zijn voeten, zocht hij die bazen ook op. Philipspersoneel was daarvan namelijk vrijgesteld. Die bezorgden hem een Ausweis met een verzonnen functie: “Chasseur” (Franse woord voor jager). Die functie hield in dat hij bij ziekgemelde Philipswerknemers moest controleren of zij op bepaalde voorgeschreven uren wel thuis waren. Daarmee werd zijn uitzending naar Duitsland voorkomen.
Voorjaar 1944 begrepen de Duitsers al dat het hier wel eens fout voor ze zou kunnen aflopen. Daarom zochten ze fietsen om ermee naar de Heimat terug te kunnen vluchten. Werknemers van Philips moesten hun werk kunnen bereiken. Zijn hoefden daarom hun fiets niet af te geven. Bij het Frederik van Eedenplein was de verzamelplaats.
Kerstmis 1943 naderde en ons vader ging er weer op uit naar Duizel. Ik heb hem nog nooit zo kwaad gezien als toen hij weer thuiskwam. Bij binnenkomst in de keuken smeet hij ’n buil koffiebonen door de keuken. Ik wist niet eens wat die bruine dingen waren die over de vloer vlogen. Wat was er gebeurd? Behalve die koffie had hij ook ’n echt rozijnenbrood op de kop getikt en dat zo stevig achter op de bagagedrager gebonden dat de binders het brood in tweeën hadden gedeeld met alle gevolgen. Mijn moeder en ik gingen toen maar aan het rapen. Hadden ze met Kerstmis in ieder geval ’n kop echte koffie.
Allerlei dieren hebben, meestal voor kortere tijd, in onze schuur gezeten: kippen, varkens, schapen en zelfs ’n gans. Allemaal ondergingen ze hetzelfde lot: de slacht met hetzelfde doel: voedsel. Nee, wat dat betreft zijn we niets tekortgekomen. Met brood lag dat toch iets anders. Als de bonnen op waren gingen we, als er nog graan in de mand op zolder was, zelf aan het bakken. Dat was best ’n heel karwei omdat de tarwe of rogge eerst moest worden gemalen in de koffiemolen. Telkens maar ’n handje vol kon erin, klepje dicht, molen tussen je knieën, zwaar draaien, bakje leeg maken, weer ’n handje erin enz. Voor je dan zo ongeveer ’n kg. had gemalen, waren je armen wel lam. De rest van het werk was dan natuurlijk voor mijn ouders. Ondanks dat gebeurde het wel eens dat ik wel trek in nog ’n boterham had maar dat zat er op dat moment dan niet aan. Door deze dingen vind ik het nu nog erg als er voedsel weggegooid wordt. Je snapt wel dat snoepen er al helemaal niet bij was in die tijd behalve één keer dan. Op zekere dag, ik denk op ’n verjaardag of zo, tilde mijn vader me op om te kijken wat er boven op de vaste kast in de huiskamer lag. Het doosje dat er stond moest ik mee naar beneden brengen en bleek vol te zitten met repen Kwatta chocolade. Waar hij het vandaan haalde, God mag het weten.
Zo ongeveer rond dezelfde tijd konden we plotseling niet meer naar de zolder om te spelen. Op onze vraag waarom de deur gesloten was werd verteld dat daar ’n paar zwarte Pieten hun intrek hadden genomen in afwachting van vertrek naar Spanje. Omdat we toen nog “gelovig” waren namen we dat als waarheid aan. In werkelijkheid was het ’n Joods echtpaar dat enige tijd op zolder zat ondergedoken. Nooit heb ik van hen iets gezien of gehoord. Onbegrijpelijk hoe mijn ouders die ook nog te eten konden geven. Ze zijn niet lang kunnen blijven omdat mijn moeder die toch al bang was uitgevallen, het niet meer aan kon. Je moet weten dat daarop de doodstraf stond! Gelukkig hebben ze de oorlog overleefd en zijn later nog eens op bezoek geweest. Ze heetten Gotschalk en hadden ’n damesmode zaak (De Dame) op de Demer en als dank ontving mijn moeder altijd hoge korting als ze er iets kocht of misschien kreeg ze het wel gratis, dat weet ik niet. Ik vind wel dat ze het verdiend had, want ze moet doodsangsten uitgestaan hebben bij alle angst die er al was. Dit laatste liep zo hoog op dat ze in de tijd dat ons vader in België was, aan het oudste overbuurmeisje vroeg, om ’s nachts bij ons te komen slapen.
Na ’n zeer strenge winter 1944 wordt het lente en dan in de zomer op 6 juni D day: De geallieerde landing op de Normandische stranden. Het heeft lang geduurd voor wij als kinderen daar iets van hoorden. Dat er iets ging gebeuren merkten we eigenlijk pas begin september. De Duitsers begonnen zich langzaam oostwaarts terug te trekken. Bij gebrek aan voldoende auto’s werden niet alleen alle particuliere motorvoertuigen gevorderd maar ook alle fietsen die meestal geen of houten banden hadden. Daar dropen ze af, stelletje schurken. Een paar maanden na de bevrijding werd mijn vader als dienstplichtig militair opnieuw opgeroepen. Hij was bevorderd tot sergeant. En moest met een twintigtal militairen op Vliegveld Eindhoven beginnen – met de hand - alle achtergelaten munitie op te ruimen. Ze waren alle 20 geüniformeerd in bij elkaar geraapte kleding van Nederlandse, Engelse en Amerikaanse legeronderdelen. Geen twee mannen droegen hetzelfde uniform.
Ze graafden met de schop naar bommen, die soms 4 of 5 meter diep lagen. Omdat er vaak geen school was, mocht ik vaak mee. Een keer in de maand werd verzamelde munitie opgeblazen. Daarvoor werd een blokje trotyl op zo’n stapel explosief materiaal gelegd. We gingen dan achter een bunker zitten.
De Joodse familie Gottschalk, die een paar maanden bij ons op de zolder heeft gezeten heeft contact met ons gehouden. Hun zoon Rudy is in 2024 met zijn vrouw naar ons toe gekomen. Zij waren zeer geëmotioneerd. Ik kreeg uit dank voor onze beide ouders een Oorkonde, waarop staat dat ter hunne eer een boom is gepland in een speciale tuin voor deze herinneringsbomen ergens in Israël. De ouders Gottschalk liggen hier in Eindhoven begraven op het Joodse kerkhof bij de Philipsklokkentoren.
Peter Buddemeijer en Rudy Gottschalk bij de
overhandiging van de Oorkonde