Cobi Roering

Opgetekend door Manon Oplaat

Ik was 3 jaar toen de oorlog begon en woonde in Rotterdam. Ik kan me nog ontzettend goed herinneren dat ik met mijn vader in de tuin stond toen Rotterdam werd gebombardeerd. We zagen de bommen vallen en mijn vader zei “potverdikkeme Klazien….”. Eén van mijn zussen werkte in een ziekenhuis in Rotterdam en was die dag gewoon aan het werk. Gelukkig is haar niets overkomen.

In de hongerwinter werden we allemaal ziek. We kregen dysenterie, omdat er niets te eten was. We aten bloembollen, als we geluk hadden. We kregen een bon voor 1 brood in de week. Hiervoor moest je in een hele lange rij staan bij de bakker. Het brood dat ik een keer gehaald had is van me afgejat door een aantal jongens. Toen hadden we dus niets te eten.
Doordat we niet konden stoken wat het ontzettend koud. Konijnenhokken, kozijnen, bielzen, alles werd gesloopt om maar een klein beetje te kunnen stoken.
Ik kan me nog goed herinneren dat onze buren op één of andere manier wel altijd te eten hadden. Soms kregen we van hen de aardappelschillen. Deze bakten we dan op het kacheltje, heerlijk was dat.

Vanwege het gebrek aan eten is mijn vader, eerst met mijn zus achter op de fiets, naar Oenen gefietst. Daar had hij voor haar een adres gevonden waar ze kon verblijven. Vader is een nacht daar gebleven en toen weer naar Rotterdam terug gefietst. Na een nacht te hebben geslapen in Rotterdam is vader met mij weer naar Oenen gefietst. Ik zie mijn moeder nog staan zwaaien in de deuropening, niet wetende dat ze haar kinderen ooit nog terug zou zien.
Het was een fiets met massieve banden, want de fietsen met gummibanden die werden door de Duitsers afgepakt en ingenomen. Ik zat achterop, op een handdoek. Ik zie de rechte rug van mijn vader nog voor me, fietsend in één tempo.
Onderweg stopten we bij een soort café waar we even wat zouden gaan drinken en als het kon wat zouden eten. Toen we weer naar buiten kwamen begonnen er ineens beschietingen. Samen met mijn vader ben ik in een greppel gedoken. Ik hoor de bommen nog langs mijn oren vliegen, een heel hoog geluid.

In Oenen kwam ik bij een ander gezin dan mijn zus terecht. Ik heb het hier niet zo fijn gehad. De mensen waren erg stug en leefden eigenlijk alleen voor het vee. Alles stond in het teken van het vee. Ook hadden ze een dochter die niet helemaal goed was. Ik moest naast haar slapen en heb me eigenlijk nooit echt fijn gevoeld.
Mijn zus zat bij hele lieve mensen, dicht bij mij in de buurt. Van die mensen mocht ik vaak bij hen op bezoek komen, wat ik graag deed. Dit vonden de boer en boerin waar ik zat niet leuk.
Ik hoefde niet te helpen op de boerderij en ging overdag naar school. Samen met mijn zus ging ik naar dezelfde school.
Ik kan me nog wel herinneren dat ik een keer heb geholpen met boomstronken zagen.  Samen met de zoon van de boer moest ik zagen. Het was een zaag waaraan je aan beide kanten een handvat vast moest houden. De zoon zette op het laatst nog een extra zetje waardoor ik in mijn been zaagde. Ik durfde dit niet tegen de boer en boerin te zeggen. Ik heb hier nog een litteken van op mijn been.

In Oenen hadden we voldoende te eten en er vielen geen bommen. Ik kan me nog herinneren dat we aan het ontbijt zaten en dat de boer riep dat we onze eieren moesten verstoppen, er kwamen Duitsers aan. “ja die Duitsers dat was wat, al zaten er ook goede bij.”
Na twee jaar in Oenen te hebben verbleven kwamen de Engelsen en werden we bevrijd. De andere ochtend zijn mijn zus en ik achter in een laadbak van een vrachtwagen, met de ruggen tegen de cabine aan, terug naar Rotterdam gereden.
Bij mij hadden ze toen petroleum over mijn hoofd gegooid in verband met luizen. Hierdoor was mijn hoofdhuid op meerdere plekken kapot. In Rotterdam kwamen we aan op het station, waar ik eerst werd tegengehouden vanwege mijn hoofdhuid. Wat hier verder precies is gebeurd weet ik niet meer, maar ik mocht uiteindelijk wel mee met mijn zus. Lopend gingen we van het station naar Rotterdam Zuid, waar mijn ouders woonden. Er werd ons gezegd dat we onze koffers wel achter konden laten, dan hoefden we die niet te tillen. Een oude buurjongen van ons (die ook in Oenen was geweest) waarschuwde ons dat we dit niet moesten doen. Iedereen was bijna alles kwijt en de inhoud van onze koffers zouden we niet terugzien als we deze achter zouden laten.

Twee jaar lang hadden we geen contact gehad met onze ouders. We konden niet bellen en brieven schrijven ging ook niet. Toen mijn moeder de deur open deed hebben we elkaar heel lang omhelsd. Mijn moeder had altijd een schort aan. Deze rook altijd zo lekker. Ik kan me nog herinneren dat ik zo blij was om die geur weer te ruiken na twee jaar. Deze geur kan ik me tot op de dag van vandaag nog herinneren.
Doordat mijn ouders de moeilijke keuze hebben gemaakt om ons in Oenen onder te brengen, leven mijn zus en ik nog. Als we in Rotterdam waren gebleven hadden we de hongerwinter waarschijnlijk niet overleefd.

De bevrijding was een groot feest. Ik zie alle mensen nog dansen in de straten. Ook mijn moeder danste, dat kan ik me nog goed herinneren. De bevrijding was een hele fijne tijd.

Mijn vader was voor de oorlog, chef op de Rotterdamse tram. Door de oorlog en de bombardementen reden die niet meer. Ook na de oorlog, doordat alles in puin lag, was hierin geen werk te vinden.  Een familielid werkte in Doesburg in een ijzergieterij. Via een postkaart liet hij aan mijn vader weten dat er in Doesburg bij de gieterij werk genoeg was. Met een vrachtwagen zijn wij en de spullen die we nog hadden opgehaald en naar Doesburg gebracht.
Ik kan me nog herinneren dat alles nog op de bon was toen we in Doesburg aankwamen.

Na de oorlog ben ik nooit meer terug geweest naar de boer en boerin die mij hebben opgevangen. Samen met mijn zus ben ik nog wel naar het gezin geweest waar zij verbleef. Mijn zus heeft nog heel lang contact met hen gehad.