Marrie Snijder

Opgetekend door Petra Bontje

Marrie Snijder werd in juli 1929 in Wageningen geboren. Op de weg van Wageningen naar Ede, de Grintweg (later Prof. van Uvenweg, tegenwoordig: Hoevestein) runden haar ouders sinds 1933 een hotel-pension-restaurant met de naam ‘d Avondwake. In de crisistijd, de jaren dertig, zaten er studenten op kamers, later werd het pension een restaurant. Marrie’s moeder was de kok. De kinderen mochten niet in het restaurant komen, alleen in de keuken om af te wassen.

Marrie komt uit een gezin van vijf. Ze heeft twee oudere en een jongere zus en nog een broer. Haar zussen waren achtereenvolgens acht en zes jaar ouder, de derde zus was zeven jaar jonger dan Marrie. Haar broertje, een nakomertje, was tien jaar jonger dan zij. Marrie werd door iedereen thuis Mar genoemd.

Tijdens de oorlog hield Marrie dagboeken bij. Toen ze 25 was, heeft ze de schriften  weggegooid. Iets waar ze nu grote spijt van heeft.

Suikerzakje van Hotel-Café-Restaurant d’Avondwake

Hotel-Café-Restaurant d’Avondwake. (1933). Uit het raam op de eerste verdieping kijken studenten naar buiten. (Bron: www.collecties.beeldbankwageningen.nl). De foto is gemaakt op de dag van de opening. De tuin was nog niet aangelegd. Marrie was toen drie jaar oud. Later is er nog veel aan d ‘Avondwake verbouwd: de keuken en een aanbouw aan de linkervleugel.

 

Mei 1940 Met een kolenboot evacueren naar Zuid-Holland

Marrie was tien (bijna elf) jaar toen de oorlog begon. ‘Ik was aan het spelen toen er een grote truck met Nederlandse militairen voor ons huis stopte. Een hoge officier en soldaten eisten ons huis en restaurant op,’ vertelt ze. ‘De kamers van de studenten stonden leeg. De officieren eisten die kamers op en gingen daar slapen. In ons restaurant kwamen hun bureaus te staan en onze telefoon werd afgetapt.’

‘Ondertussen hadden mijn ouders van de gemeente bericht gehad dat we moesten evacueren. Wij zaten op de laatste boot die uit Wageningen naar Zuid-Holland vertrok.’

De bevolking van Wageningen, 12.400 personen, evacueerde op 10 mei 1940 met schepen vanuit de Wageningse haven naar Zuid-Holland (Bron: https://wageningen1940-1945.nl/evacuatie-1940/)

 

‘Onze boot hadden ze in allerijl moeten regelen. Ze hadden niet gedacht dat er nog zoveel mensen in de stad waren. We waren de laatste groep mensen die uit Wageningen evacueerde. Ik weet nog dat we met zo’n vijftig, zestig andere mensen (o.a. degenen die het gas en elektriciteit bij de huizen moesten afsluiten) naar de boot liepen Op het pad lagen allemaal koeienvlaaien. Mijn vader vertelde ons dat er ook koeien met de boot mee zouden gaan.’

‘Uiteindelijk kwamen we om vier uur, half vijf bij de boot aan. Er lag allemaal strooistel op de grond, wij moesten het trapje af en naar beneden lopen. Omdat we met een hele groep mensen waren ingestapt, hadden we niet gezien dat het een kolenschuit was. Ze hadden hem niet goed schoon kunnen maken, na een dag zagen we zo zwart als roet.’

‘We voeren richting IJsselmonde. Ik weet nog goed dat we onder de spoorbrug bij Rhenen voeren. Het was inmiddels aan het schemeren. Militairen op de brug vroegen aan de kapitein van onze boot: “Is dit de laatste? Ja, dit is de laatste”, zei hij. Een half uur later hebben ze die spoorbrug opgeblazen om de Duitsers tegen te houden.’

‘Een dag hebben we op die boot gedobberd tot we bericht kregen dat we aan land moesten omdat er vliegtuigen boven ons zaten. Met een vrachtauto werden we naar Haastrecht gebracht, naar een bijgebouw van een boerderij. De hele deel zat vol mensen, we zaten op de grond, op stro. Daar hebben we een nacht gezeten.’  

‘De volgende ochtend werden we met een vrachtauto naar de boer gebracht waar we verbleven tot we naar Wageningen terug konden. We zagen eruit als een stelletje schooiers, zwart als roet. Tijdens het krijgertje spelen met andere kinderen was ik ook nog in de gierput gevallen. Mijn lange vlechten zaten helemaal onder de drek. De boer wilde ons daarom ook niet binnen hebben. Al die dagen hebben we op de deel doorgebracht. Mijn moeder moest me bij de pomp schoon maken. ‘

‘Mijn vader hoorde dat er ergens een post was waar je je naam door moest geven en daar is hij met mijn oudste zus naartoe gegaan. Toevallig zat daar het hoofd van onze lagere school. Na een week hadden we de papieren dat we Wageningen weer in mochten.’

‘Diezelfde boer bracht ons een paar dagen later thuis met zijn bestelwagen. De bestelwagen had zeildoek over de bak. Ik zat achter de klep van de vrachtwagen. Iets dieper in de bus zaten mijn zusje en mijn moeder. Pa zat naast de chauffeur om de weg te wijzen. De eerste stop was op de Grebbeberg. Mijn vader moest zijn papieren laten zien. Ik had erge astma, bij elke ademteug hoorde je me piepen. Vanachter de klep van de bus keek ik naar buiten. Ik zag militairen uit de bossen komen, maar zag ook een rij dode militairen liggen en een los been op de grond. Toen mijn vader terugkwam van de controlepost, zag hij mijn koppie boven die klep uit. “Kindje, toch,” zei hij. “Dat had je niet moeten zien.” Dat ben ik nooit vergeten.’

‘Uiteindelijk heeft de boer ons afgezet bij ons huis in Wageningen. “Moet ik hier echt wezen?” vroeg hij. Mijn vader vertelde hem dat we vies waren van de kolenboot en dat ik in de gierput was gevallen. Een paar maanden later is die boer met zijn vrouw nog een keer bij ons langsgekomen. Ze brachten een grote kaas voor ons mee.’

Toen we ons huis binnenkwamen, zagen we dat er een hoop gestolen is. Mijn vader had net een grammofoonspeler van ‘His Masters Voice’ gekocht met drie platen erbij. Mijn vader was erg muzikaal en zong graag. De grammofoon was weg en de platen lagen kapot in het grind.’

Mei 1940 – aug 1944.

‘Mijn ouders knapten het hotel-restaurant op en heropenden het. Ons leven werd die eerste oorlogsjaren weer wat rustiger. Mijn vader sloot zich aan bij de ondergrondse en ons huis werd een doorgangshuis voor Joodse onderduikers. Ook werd er hulp geboden aan geallieerden. Ik weet nog dat ik een keer ’s nachts moest plassen en in onze hal twee mannen zag staan met regenjassen aan en hoeden op. Achteraf bleken het Engelse piloten te zijn. Ik zag dat ze een opvouwbare step* bij zich hadden.’

(*Mogelijk was dit een van de zogenaamde ‘Welbikes’ die door zowel Britse en Canadese parachutisten als Commando’s werden gebruikt o.a. in de buurt van Arnhem tijdens Operation Market Garden. (Bron: https://www.taskforceliberty.be/excelsior-welbike-mk1/ )

De zogenaamde ‘Welbikes’ die door Britse en Canadese parachutisten werden gebruikt in de omgeving van Arnhem tijdens Operation Market Garden. (Bron: https://www.taskforceliberty.be/excelsior-welbike-mk1/ )

 

‘Op een nacht stopte er een Duitse overvalwagen voor ons huis. Mijn ouders, mijn oudere zussen en ik werden uit bed gehaald. De twee kleintjes lieten ze liggen. Ze vroegen ons in het Duits: “Hoe heet je?” En of we ooms en tantes in huis hadden. Ik zei: “Nee.”  Moeder had ons geleerd om nooit over thuis te praten, dus dat heb ik braaf gedaan. Ik moest ook niets van de Duitsers hebben. Ze vonden mij een liegbeest, omdat mijn zussen hadden gezegd dat er wél ooms en tantes in huis waren.’

‘Gelukkig waren we van tevoren gewaarschuwd. Toen de Duitse overvalwagen bij ons kwam, lagen we in bed en waren de Engelse soldaten al uit ons hotel verdwenen. De Duitsers gingen echter niet meer weg. Wij moesten met ons gezin in de kelder wonen,

‘Op een nacht stopte er een Duitse overvalwagen voor ons huis. Mijn ouders, mijn oudere zussen en ik werden uit bed gehaald. De twee kleintjes lieten ze liggen. Ze vroegen ons in het Duits: “Hoe heet je?” En of we ooms en tantes in huis hadden. Ik zei: “Nee.”  Moeder had ons geleerd om nooit over thuis te praten, dus dat heb ik braaf gedaan. Ik moest ook niets van de Duitsers hebben. Ze vonden mij een liegbeest, omdat mijn zussen hadden gezegd dat er wél ooms en tantes in huis waren.’

‘Gelukkig waren we van tevoren gewaarschuwd. Toen de Duitse overvalwagen bij ons kwam, lagen we in bed en waren de Engelse soldaten al uit ons hotel verdwenen. De Duitsers gingen echter niet meer weg. Wij moesten met ons gezin in de kelder wonen, en de Ortskommandant en zijn personeel namen de zaak en ons huis in bezit. Mijn moeder dacht: “Die blijven een dag.” Uiteindelijk hebben ze driekwart jaar in ons huis gewoond.’

‘De eerste twee dagen lieten ze ons nog redelijk vrij. Mijn moeder gaf mijn oudste zus een lijstje om bij de Gruyter boodschappen te doen. Onze Riet pakte een tas, de portemonnee en haar fiets. Een van die moffen fietste het hele stuk naar de winkel en terug met haar mee “Vreselijk!” zei ze later tegen mij in de keuken. Een meisje van bijna twintig, ze schaamde zich kapot.’ 

‘De andere dag stond de kinderwagen klaar met mijn broertje erin. Mijn moeder zei tegen me: “Marrie, je moet direct naar de familie Kallenbach gaan, hun keuken ingaan, en ze dit briefje geven.” Ze stopte me een briefje in de hand dat ik diep in mijn zak wegstopte. Buiten stond er een Duitse soldaat op wacht. Hij deed zijn geweer af, keek in de kinderwagen en maakte kirrende geluidjes tegen mijn broertje. Ik dacht: “Die mijnheer heeft vast zelf ook zo’n baby thuis.” Hij pakte mijn broertje uit de wagen en gooide hem hoog in de lucht. Daarna zette hij hem weer terug in de kinderwagen. Hij liet me gelukkig gaan.’

‘Het was een eindje lopen naar de familie Kallenbach. Het echtpaar zat in de keuken en ik gaf ze het briefje. Ze haalden mijn broertje uit de wagen en tilden het dekentje op. Onder het dekentje waar mijn broertje op lag, lagen revolvers, geweren en een doosje munitie. Toen kwam mijn schrik. Zo jong als ik was, begreep ik dat als die Duitser het had gevonden, we vast allemaal de kogel hadden gehad. Als hij mijn broertje wat harder in de wagen terug had gezet, dan had er misschien wel wat gerammeld, of had mijn broertje “Au!” geroepen. Dan had die Duitser alle wapens gevonden. Het gekke is, toen ik later thuiskwam, werd er niet over gesproken. Ons huis krioelde immers van de moffen. Er is nooit meer over gepraat, ook niet na de oorlog.’

September 1944. Luchtlandingen Operatie Market Garden

Als het luchtalarm klonk, scholen Marrie, haar ouders, zussen en broertje, samen met de buren, in de ruime kelder van het restaurant waar ook de wijn- en biervaten opgeslagen waren.

‘Moeder kookte voor iedereen, die was schijnbaar niet bang. Op de tweede dag stond ik even buiten met pa. We zagen overal parachutes in de lucht en we zwaaiden naar ze.’ vertelt Marrie. ‘Er zijn toen veel jonge militairen omgekomen. Later in mijn leven woonde ik in Maastricht. Een keer ben ik naar de begraafplaats in Margraten geweest. Als je al die witte kruisen ziet, word je er koud van. Ik dacht: “Misschien heb ik toen een aantal van die jonge jongens wel uit de lucht zien knallen.”

Parachutisten tijdens Operatie Market Garden (Bron: https://www.verzetsmuseum.org/nl/kennisbank/operatie-market-garden)

 

‘Een paar dagen later waren we buiten, pa en ik. We liepen naar de straat en zagen een platte kar de hoek omkomen waar zes gewonde Engelse soldaten op lagen. Eromheen liepen nog meer Engelse krijgsgevangenen, bewaakt door Duitse soldaten. De kar stopte. Eén van de zwaargewonde Engelse soldaten wilde graag een Hollands meisje de hand schudden. Daarna volgden er meer die dit wilden. Dit heb ik toen gedaan. Toen de gewonden weg waren, hoorden wij in de verte zingen, “It is a long way to Tipperary”. Een groep Engelse soldaten kwam zingend op ons af. Mijn vader had een emmer met appels bij zich en gooide een appel naar de groep. Dit werd toegelaten door de Duitsers. Daarop deelde mijn vader meer appels aan hen uit. Toen ze weer verder liepen, begon een zwarte Engelse soldaat vooraan in de groep te zingen, de rest zette in canon in. Het gezang was zo mooi. We bleven staan tot ze uit het zicht verdwenen waren.’

Oktober 1944. Tweede evacuatie.

Voor de bevolking werd het te onveilig om in Wageningen te blijven. De geallieerden en de Duitsers schoten continu met artillerie over-en-weer; opnieuw lag Wageningen in de frontlinie. De gemeente droeg de burgers op om (voor de tweede keer) te evacueren.  Deze tweede evacuatie was allesbehalve voorbereid en duurde deze keer niet een week, maar acht maanden. (Bron: https://www.europeremembers.com/nl/pois/1986/the-second-evacuation-of-wageningen)

Tweede evacuatie vanuit Wageningen (sep-okt 1944, Bron: https://www.europeremembers.com/nl/pois/1986/the-second-evacuation-of-wageningen)

 

Terwijl de rest van de Wageningse bevolking de stad in allerijl verlieten, werden Marrie en haar familie nog steeds in hun kelder vastgehouden door de Duitse militairen die hun huis en restaurant driekwart jaar eerder in bezit hadden genomen. Omdat het gezin van alles afgesloten zat, wisten ze niet dat heel Wageningen intussen leeg was. Toen het de Duitsers te heet onder de voeten werd, vluchtten de soldaten het huis uit. Het gezin Snijder lieten ze onwetend achter.

Nadat het boven hun hoofden wel erg stil geworden was, liep Marrie’s vader de keldertrap op. Hij zag dat de Duitsers hun huis verlaten hadden. Buiten hun huis zag hij bordjes met 'Minen gefahr'. Voorzichtig liep hij naar de weg en terug en merkte dat het loos alarm was.

De familie pakte snel wat kleren en trokken richting Ede-Bennekom. Haar pop en viool moest Marrie in huis achterlaten, haar zussen hun mandoline en fototoestel. ‘Mijn vader werd zo zenuwachtig toen hij ons zag staan met alle dingen die we wilden meenemen, dat hij zei: “Weg met al die spullen. We gaan niet op vakantie!” vertelt ze. Omdat Wageningen inmiddels leeg was, en niemand wist dat de familie Snijder als laatste gezin nog in de stad was, hadden ze geen bonkaarten gekregen.

Onderweg werd het gezin beschoten door vliegtuigen. ‘Langs de kant van de weg zag ik een meisje van mijn leeftijd achter een Tilbury (tweewielig rijtuig). Het vliegtuig had hen ook beschoten, haar ouders zaten dood op de bok.’

Het was lastig voor de familie Snijder om een evacuatieplek te vinden. Behalve het gezin was ook de verkering van zus Adrie, Gerrit van den Berg, bij hen. Hij droeg meisjeskleren zodat de Duitsers hem niet als jongen zouden herkennen. Ook had hij geen papieren, want zijn ouders waren al overleden.

‘Toen we Ede voorbij waren hebben we overal gevraagd of er plek voor ons was, maar de meeste boeren zaten al vol met evacués.’ vertelt Marrie. ‘Buiten werd het al donker. Bij Lunteren liepen we een doodlopende weg in en klopten aan bij een kleine boerderij. Een oude vrouw deed open. Wij vroegen of er plek was. Ze ging het aan haar dochter vragen. Even later kwam ze terug met een 40-jarige vrouw met het syndroom van Down. ”Ja, Moe, die nemen we!”  klapte deze in haar handen.’

‘Mijn vader en moeder konden in het varkenshok slapen, wij in het bakhuis. Pa zei: “Het komt allemaal goed, we zijn veilig.” We hadden echter helemaal niets, geen dekens, geen eten, geen bonkaarten. Gelukkig zorgde Onze Lieve Heer voor een oplossing. Mijn oudste zus Riet kreeg hoge koorts en er moest een dokter komen. In Lunteren belde ik bij de dokter aan. Zijn vrouw deed open en kwam terug met de arts. Die herkende mij meteen. “Zo Avondwakertje, ben jij hier?” zei hij tegen me. “Wie is er bij jullie ziek?” Ik vertelde dat onze Riet ziek was. Dat we hem tegenkwamen in Lunteren is ons geluk geweest, want deze man zat ook bij de ondergrondse. Hij vertelde dat heel Wageningen wist dat wij vastgehouden werden door de Duitsers, maar ze wisten niet dat wij in de kelder van ons huis vastzaten.’  

Toen de familie Snijder aan de dokter vertelde dat ze geen eten en bonkaarten hadden, regelde hij dat er de volgende dag twee paters langskwamen die eten en bonkaarten bij hen bezorgden. Marrie werd, zoals ze het zelf noemt ‘de dame van de fourage.’ Vanuit Lunteren liep ze naar plaatsen als Ederveen, Scherpenzeel en Renswoude om eten voor de familie te verzamelen. Omdat de verkering van zus Adrie, Gerrit van den Berg, geen papieren had, stelde de vader van Marrie voor dat zij een persoonsbewijs voor hem ging halen. Deze moest ze ophalen in Ede. De papieren zouden op naam komen van Renée van den Berg.

‘In Ede moest ik naar de Ortskommandant. Een Duitse soldaat nam mij mee naar de kazerne bij het station. Daarna bracht hij mij naar een grote hal. Er zaten allemaal vrouwen met zwarte kappen op die aardappels aan het schillen waren. Bij de deur zaten twee Duitsers met geweren. Ik probeerde met de vrouwen te praten. Eén van hen maande me tot stilte door haar vinger voor haar mond te leggen. Ik denk dat het vrouwen uit Polen waren. Mijn vader zei later dat het misschien wel krijgsgevangenen waren. Ik moest ze helpen met aardappelen schillen. Ze hebben me tot vijf uur laten zitten. Toen werd ik weer bij de Ortskommandant gebracht, en moest ik nogmaals vertellen wat mijn naam was en hoe oud ik was. Daarna kreeg ik mijn persoonsbewijs. Toen ik terugliep naar Lunteren kwam ik mijn vader tegen. Omdat het inmiddels erg laat was, waren ze thuis natuurlijk heel angstig geworden.’

December 1944

‘Op 24 december ben ik met mijn zus Adrie nog een keer van Lunteren naar ons huis in Wageningen gefietst. Pa dacht dat de Duitsers op Heiliger Abend vast niet zo goed zouden opletten. Ons huis in Wageningen lag in het Spergebied.’

‘Adrie en ik hadden een lijstje gemaakt. Pa had tegen ons gezegd: “Kijk of je wat schoenen kan halen, kaplaarzen, warme kleding.” We konden lekker doorfietsen. Zo’n 10 minuten van ons huis, zagen we een brandend vliegtuig heel laag overvliegen. Achteraf gezien was dat een afgezwaaide V1.’

‘In ons huis aangekomen, ging ik direct naar boven om te controleren of alle ramen er nog in zaten, dat had vader me gevraagd. Beneden zou Adrie voor de fourage zorgen. Op zolder keek ik uit het raam, naar de plek waar de vlag altijd hing. Dat was maar goed ook, want beneden zag ik tot mijn schrik een stel Duitsers op een platte kar di onze richting opkwamen. Ik had klompen aan en op onze trap lag geen traploper meer. Zo snel als ik kon, ben ik daarom via de trapleuning naar beneden gegleden en stormde naar Adrie toe. “Kom mee!” riep ik. We hebben snel de fietsen gepakt en zijn halsoverkop onverrichterzake naar Lunteren teruggereden. Daarna hebben we het nooit meer gewaagd om naar Wageningen te fietsen.’

Januari 1945

‘Op 31 januari 1945 was mijn moeder jarig. Mijn vader was al vroeg op pad. Mijn moeder vond het vreemd en zei: “Nu ben ik jarig en dan is hij al zo vroeg pad zonder mij te feliciteren.” Even later kwam mijn vader terug met een haas die hij met een van zijn strikken gevangen had, en gaf die aan mijn moeder. “Hier Johanna, voor je verjaardag!” zei hij.  Het is de enige keer geweest dat het hem lukte om wat te vangen met een van zijn strikken.’

April 1945. Bevrijding Lunteren

‘We hoorden de tanks in de verte komen. In het dorp ging het van mond tot mond: “De Canadezen komen!” Wij liepen het dorp rond tot de bevrijders op hun tanks het dorp binnen rolden.

Bevrijding Lunteren, 16 april 1945 (Bron: https://veluwe.nl/locatie/de-bevrijding-van-lunteren/)

 

‘Na de Bevrijding moesten we wachten tot we een vergunning hadden om terug naar Wageningen te gaan. Toen we in ons huis aankwamen, was het hele huis leeggeroofd. Mijn poppen, mijn viool, alles was weg.’

‘Ik neem mijn petje af voor mijn vader en moeder, zoals zij in de jaren na de Bevrijding het huis en restaurant weer hebben opgebouwd. Elk dubbeltje hebben ze omgekeerd. In de zomer verhuurden ze kamers aan badgasten het pension, in de herfst aan studenten. Uiteindelijk zou het hotel-restaurant ruim 80 jaar in onze familie blijven.

Advertentie in het Parool van 28 mei 1948.