Dick Barendsen

Opgetekend door Ingrid op den Velde

Ik ben Dick Barendsen, geboren op 21 februari 1931 in Amsterdam.

Vanaf mijn vierde jaar tot ik in 1948 uit huis ging woonde ik in de omgeving van Haarlem. Op 14 augustus 2026 is mij door Ingrid Op den Velde een interview afgenomen over mijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. In plaats van haar aantekeningen te bewerken heb ik er de voorkeur aan gegeven, op basis van haar aantekeningen het verhaal zelf te schrijven. In het algemeen: ik heb de vijf oorlogsjaren beleefd als een jonge knul, was 8 jaar toen in 1939 de wereldoorlog begon. Ik heb de gebeurtenissen in die jaren via berichten van diverse kanten toch heel bewust en intensief beleefd, met vooral veel aandacht voor het verloop van de oorlogshandelingen van de verschillende landen.

Mobilisatie 1039-1940 en daarvoor.

Zo wist ik dat Hitler in Duitsland aan de macht was, en dat hij in 1938 een bijeenkomst had gehad met de Engelse premier Chamberlain. En dat die bij terugkomst een papier liet zien waarop een ‘nooit-meer-oorlogsverklaring’ van Hitler stond. En ik volgde de inval van de Duitsers in september 1939 in Polen. Toen begon de oorlog met Engeland en Frankrijk.

Ons land mobiliseerde het leger, veel mannen waaronder een vriend van mijn vader, hadden ineens een uniform aan. Je zag soms een troep soldaten op straat, ik vond ze reuze flinkerds. Op de radio elke dag een programma voor de soldaten; daar genoot ik van. Vooral van de liederen die men zong, zoals “Wie heeft de suiker in de erwtensoep gedaan? En “Blonde Mientje heeft een hart van prikkeldraad”.

Op een dag later in dat jaar ging een jongen in mijn klas trakteren. Ik weet nog dat hij Ernst Herz heette. Hij vertelde heel blij dat hij met zijn hele familie naar Amerika ging! Met de boot, die heette de ‘Simon Bolivar'. Wat waren wij jaloers op hem ! Mijn vader wist, maar vertelde toen nog niet, dat die boot altijd vol met Joodse vluchtelingen zat.

Later hoorde ik dat die boot in het Kanaal op een mijn was gelopen en gezonken was, een groot deel van de passagiers verdronk.

 

Inval op 10 mei 1940.

Ik herinner me de radioberichten nog goed. De waterlinie hield de Duitsers tegen, maar bij de Grebbeberg was een droog stuk en daar zijn de Duitsers doorgebroken. En na het bombardement van Rotterdam (mijn latere vrouw heeft dat meegemaakt) gaf Nederland zich over. Ik heb erg gehuild, niet omdat we door Duitsland veroverd waren, maar vanwege de grote teleurstelling dat onze flinke soldaten de Duitsers niet hadden kunnen tegenhouden! (Veel later hoorde ik dat op een andere plek, de Afsluitdijk, ze wel zijn tegengehouden).

We hoorden dat alles in gereedheid was gebracht om de Koningin naar Engeland te laten gaan, maar ze wilde niet. Ik weet nog dat mijn vader zei: “Ze MOET gaan! ”. Dat is ook gebeurd.

Oorlogstijd.

In de eerste maanden van 1940 veranderde er voor mij niet veel. Aan de Duitse soldaten op straat raakte je gewend, ze waren niet bedreigend.In oktober moesten we ineens ons schoolgebouw uit, dat werd ‘gevorderd’ voor een onderkomen voor soldaten. We kwamen als school terecht in twee villa’s. Alle kamers, ook soms de keukens, werden als klaslokaal gebruikt. Ik heb als kind toen nog niets gemerkt van de ingrepen die toch vrij gauw door de Duitsers ingevoerd gingen worden.

Zoals tegen de Joden, waarvan er veel werden ontslagen. Later kwamen er andere maatregelen die ik wel merkte. Zoals de verplichting voor kunstenaars om zich aan te sluiten bij de ‘Kultuurkamer’ , een door de Duitsers gecontroleerd instituut. Een kennis van mijn vader was bevriend met de zangeres Jo Vincent, die weigerde zich aan te sluiten en illegaal recitals gaf bij mensen thuis. Daar was ik soms bij, ik weet dat de gordijnen dan dicht moesten. In de pauze dronken we een soort thee met koekjes van suikerbietenpulp. Het verdere verloop van de oorlog hield ik nauwkeurig bij. Met name toen de Duitsers Rusland binnenvielen en daar heel ver oprukten. Ik had een kaart van Rusland; met spelden met een vlaggetje hield ik bij hoe ver ze kwamen.

Via mijn vader die zogenaamd bij buren naar de illegale Engelse radio luisterde (maar dat achteraf zelf deed) hoorde ik het werkelijk verloop van de oorlog. Zo wist ik hoe het werkelijk was gegaan bij Stalingrad, waar de Duitsers verslagen werden en hun terugtocht begon. Ik was erbij toen vader langs die weg hoorde van de landing van Amerikaanse troepen in Noord-Afrika. Hij besefte dat dit een keerpunt in de oorlog was; ik heb hem niet vaak zo blij gezien.

Intussen was er in onze buurt (en zeker ook elders) een netwerk van illegale radioluisteraars ontstaan, die de opgevangen berichten van de geallieerden over het werkelijk verloop van de oorlog op stencils zetten. Via depot-adressen werden die berichten naar vertrouwde personen verspreid. Mijn vader had zo’n depot, en hij vertrouwde mij toe om af en toe samen met mijn jongere zusje een aantal van die krantjes bij een aantal adressen te bezorgen. Die hielden we onder onze jassen. We waren niet bang gesnapt te worden, want we vonden die soldaten best aardig.
Wat ik heel goed van de oorlog merkte was het overvliegen van steeds meer Engelse en Amerikaanse bommenwerpers, op weg naar het Ruhrgebied en andere industriegebieden in Duitsland. Ik leerde alle type vliegtuigen. De Amerikanen vlogen een tijdlang in blokken van zes toestellen, als ze terugkwamen waren die blokken vaak niet compleet, dan wist je dat er verliezen waren geweest.

Zoals iedereen toen, bekommerde ik me helemaal niet over het lot van de mensen in Berlijn en al die andere gebombardeerde steden.

We hadden zelfs een liedje:

“In de heldere maneschijn

Bombardeerden ze Berlijn

En dat vinden alle Nederlanders fijn!”

Intussen voerden de Duitsers andere maatregelen in. Om meer arbeidskrachten in hun oorlogsindustrie te kunnen inzetten, moesten in Nederland alle jonge mannen vanaf 17 tot 40 jaar zich melden voor de 'Arbeitseinsatz'. Wie niet kwam opdagen zou zwaar worden gestraft.

Mijn oudste broer had mijn vader gezegd dat hij zich ging melden, maar schreef later dat hij in plaats daarvan in Amsterdam was ondergedoken. Later is hij toch thuisgekomen, het gevaar was intussen overal even groot.

Mijn tweede broer Jan was ook in de leeftijd. Samen hebben ze zich een keer verstopt in een daarvoor gemaakte schuilplaats in ons huis, toen we werden bezocht door Duitse soldaten op zoek naar jonge mannen. Ze liepen het hele huis door; de jongens hielden zich doodstil en zijn niet gevonden.
In die tijd moest iedereen een z.g. persoonsbewijs (soort identificatie) hebben en bij zich dragen. Ik zie nog voor me het persoonsbewijs van Jan waarin hij vanwege de ‘Arbeitseinsatz’ zijn leeftijd had gemanipuleerd. Zo zichtbaar dat hij bij controle gesnapt zou zijn geweest.

Af en toe hielden de Duitsers een ’razzia’ op fietsen. Ik heb nooit begrepen waar ze die voor nodig hadden, maar toen ik een keer met mijn vader aan het fietsen was, kwamen we een paar Duitsers tegen waarvan er één mijn kleine jongensfiets afpakte en daar wiebelend (hij was heel dik) mee wegreed. Mijn vader protesteerde woedend, maar dat hielp niet. Hij ging toen zijn beklag doen bij de Ortskommandant en die heeft de fiets vrijgegeven.

Ik beleefde ook mooie dingen. Wij woonden aan een weg die in de marsroute van het Duitse leger lag. Bij nachtelijk marcheren gingen die soldaten soms in koor prachtig zingen, dat was beslist ingestudeerd. Ik zat dan aan mijn open raam te genieten; twee liederen kan ik nog zingen. Langs dezelfde weg zag ik een keer een groep soldaten lopen die er anders uitzagen dan de Duitse. Ze hadden allemaal grote zwarte snorren.

Veel later is me gebleken dat dit Georgiërs zijn geweest. Zij waren met 800 man, gevangengenomen door de Duitsers bij hun opmars in Rusland. Ze werden voor de keus gesteld: Krijgsgevangen blijven onder slechte omstandigheden, of opgenomen worden in het Duitse leger. Ze hebben voor het laatste gekozen, zijn mee met de Duitsers teruggetrokken, in 1945 in Nederland bij mij in de buurt gelegerd geweest en uiteindelijk terechtgekomen op het eiland Texel. Daar zijn ze in opstand gekomen, de meesten zijn gesneuveld of door de Duitsers geëxecuteerd. Ze hebben daar een erebegraafplaats gekregen.

Laatste winter.

Ergens in december 1944 werd in de hele omgeving de elektrische stroom afgesloten, en dat bleef zo tot het einde van de oorlog. Maar soms was die ineens weer een nacht aan, dan wisten we dat er gevaar dreigde: dan was er kennelijk licht nodig voor een huiszoeking of misschien zelfs een razzia. Het werd een koude winter.
De cv werkte niet omdat er geen stroom was. We konden op bonnen kolen kopen, waarmee alleen de kachel in de grote woonkamer werd gestookt. De rest van het huis bleef koud.

Behalve kolen was intussen ook het meeste eten ‘op de bon’, dat heette 'Distributie'. We kregen op gezette tijden bonkaarten uitgereikt, met bonnen voor brood, boter, vlees e.a. Mijn oudste broer woog iedere week de voor het gezin beschikbare boter in precies gelijke porties af.
Af en toe gingen mijn broers en ik, soms met vader, met de fiets naar een boerderij in de polder waar we aardappels haalden, of tarwe om pap mee te koken. Alles bij elkaar hadden we niet veel te eten, maar echt honger hebben we niet gehad.

Van december tot februari was overal een avondklok. Vanaf 8 uur moest je binnen zijn, ergens in de vroege morgen mocht je weer naar buiten. Er werd streng gecontroleerd: als je gesnapt werd, kon je door Duitsers beschoten worden. In het voorjaar van 1945 ging het voor iedereen duidelijk worden dat de oorlog op zijn eind liep. Ook door de Duitsers om ons heen werd dat beseft, ze werden minder streng in het handhaven van allerlei maatregelen.

In diezelfde tijd werden door Engelse vliegtuigen een paar keer voedselpakketten uitgestrooid. De Duitsers lieten toe dat ze werden opgeraapt. Ik was daar een keer bij en verzamelde een paar blikken en zakken met etenswaren. Er werd daar verteld dat een man een pakje boter in één keer had opgegeten. Omdat zijn lege maag dat niet kon verwerken, is hij diezelfde dag gestorven.

Bevrijding.

Op 5 mei capituleerde Duitsland, en was de oorlog voorbij. Overal werd feest gevierd. Ik ging met iedereen langs de weg kijken waar onze bevrijders langs zouden komen. Ineens verscheen om een bocht een stoet van vreemde militaire voertuigen, men zei dat dat Canadese troepen waren. Dat gezicht maakte me heel blij.

Toen ik later in de stad kwam zag ik ineens een wagen rijden met een stel vrouwen erop. Ze waren kaalgeknipt; mij werd gezegd dat ze het met Duitse soldaten hadden aangelegd. Eén daarvan was ons dienstmeisje die kort daarvoor bij ons was vertrokken. Toen was ik even niet meer zo blij. Maar na de eerste roes ging ik me langzaam realiseren dat mijn leven heel anders ging worden. Niet meer voorzichtig hoeven zijn, overal naar toe kunnen waar ik wil. Maar de distributie met de bonkaarten zou nog lang blijven.

Naschrift over de Jodenvervolging.

Ik heb tijdens de oorlog eenmaal met eigen ogen gezien dat Joodse mensen door Duitse soldaten uit hun huis werden gehaald en weggevoerd. Dat was in 1944 in Amsterdam, toen ik bij een vriendje logeerde. We wisten al wel dat dit op gezette tijden gebeurde, maar niet waar ze heen werden gebracht. En van het uiteindelijke lot van de meesten van hen wisten we totaal niets, tot na de bevrijding.

Toen pas werden ons de feiten en de schaal waarop de Holocaust zich had voltrokken schoksgewijs bekend.