Gré Thissen- Steenkamer
Opgetekend door (J) Sjef Smeets
Vandaag, 7 oktober 2026, noteerden we in Geldrop (N.Br.) de oorlogsherinneringen van, de op 13.2.1929 te Gouda geboren, mevrouw Gré Thissen – Steenkamer:
Het gezin van mijn ouders, Henk Steenkamer (* 1.1.1900) en Greet Steenkamer - Verhart (*13.3.1899), was in de oorlogsjaren al compleet met hun vier dochters. Na mij kwamen ook nog Tonnie (1932), Stieneke (1937) en Ank (1940).
v.l.n.r. Stieneke, Ank, Tonnie en Gré
Mijn oorlogsherinneringen beginnen bij wat wij merkten van het grote bombardement op Rotterdam (14.5.1940 om 14.27 uur. Het duurde slechts een kwartier, maar met 1.150 slachtoffers. Ongeveer 80.000 mensen werden dakloos en ruim 24.000 panden verwoest in het Centrum, Kralingen, Crooswijk, het Oude Noorden en de Agniesebuurt.) We zagen bij ons in Gouda van alles uit de lucht naar beneden dwarrelen. We wisten niet wat het was. Maar het bleek troep te zijn, die door de verwoestingen in Rotterdam onze kant op waaide. Vader legde uit: “Dat komt van het bommengooien.”
Onze school kreeg er toen kinderen uit Rotterdam bij, omdat hun scholen verwoest waren. Wij hadden, tegenwoordig niet meer te begrijpen, een “voorschool” voor kinderen van ouders die beter bemiddeld waren. En daarachter lag de “achterschool” voor minderbedeelden in de Peperstraat, via een hele grote tuin verbonden met de “voorschool”. Wij gingen bij de nonnen naar de “voorschool” aan de Westhaven. Voor de jongens was ook diezelfde verdeling in twee scholen.
Vader was kleermaker. We hadden ook een winkel, waar hij kostuums en jongenskleding verkocht. Mijn oom, Appel, die getrouwd was met een zus van mijn moeder, tante Cor, was ook kleermaker. Op een gegeven moment werd een Tsjechische militair-kleermaker in het Duitse leger, bij mijn vader aan het werk gezet om legerkleding te maken of te repareren. Daar had vader niets over te zeggen. Er was geen verlichting meer. Maar daar had vader iets op gevonden door iets “met een loodje” te doen. Wat weet ik niet, maar we hadden licht. Alleen als er gebeld werd, dan moest het licht snel uit en stak moeder kaarsen aan. Moeders zus Anne en haar man, Jan, kwamen wel eens bij ons bij kaarslicht.
Ik weet nog dat we touwtjespringen deden. En dat we daarbij, voor de deur van een NSB-er, de sprongen telden in het Engels, “One, two, three, four….” Op een gegeven moment werden jongens door de Duitsers gevorderd. Een zoon van Jan en Anne trok meisjeskleren aan om te voorkomen dat hij ook weg moest. Zo bezocht hij oma ook in het ziekenhuis. Het ergste wat ik kan herinneren, me ook altijd bij is gebleven en waar ik nog kwaad om kan worden was dat we op 1e Kerstdag op visite bij mijn tante waren en opeens veel mensen voorbij zagen komen. Toen bleek dat de Duitsers, uitgerekend op die feestdag dus, jongens uit de kerk hadden gehaald om te gaan werken in Duitsland. Zij moesten gaan overnachten in de grote protestantse St. Janskerk. Mijn vader en ome Toon zijn daar naartoe gegaan. Toen ze terugkwamen hadden ze een jonge man en een vrouw bij zich. Die kregen bij ons een kop thee en een witte boterham met suiker. Dat was in die dagen heel bijzondere kost. Ze zijn bij ons blijven slapen. ’s Morgens hebben ze papa’s fiets gekregen om ermee naar Rotterdam te gaan. Ik zeg nog wel eens “die Rotmoffen met hun Weihnachten” De kinderen zeggen dan: “Mam, dat mag je niet zeggen.”
Een keer wilden ze, toen ik ermee onderweg was, mijn fiets vorderen. Ik heb toen zolang gekletst, onder andere maar verteld dat mijn vader erg ziek was, tot ik ‘m toch mee naar huis mocht nemen. Waarschijnlijk had ik een “goede” Duitser getroffen. We hadden een groot huis, maar we hadden niks meer om het warm te stoken. Bij ons naast was drukkerij “Koch en Knuttel”. Die hadden voor het bedrijf kolen om te stoken. Mijn vader klom eerst ’s avonds over de schutting heen om daar kolen te halen. Maar een bovenbuurman van de drukkerij adviseerde: “Maak een gat in de schuurwand om bij de kolen te komen. En dat advies heeft hij opgevolgd.
Behalve dat het station een keer gebombardeerd is, verliep de oorlog bij ons vrij rustig. We hebben nooit naar de kelder gemoeten en zijn ook niet geëvacueerd, zoals mensen elders in het land. Maar wij hebben natuurlijk wel de hongerwinter doorgemaakt. Vader kon in Bloemendaal (een woonwijk in het noordwesten van Gouda) melk en dergelijke bij de boeren ruilen tegen een pak dat hij voor de boeren maakte. Hij zei wel eens: “Ze hebben alleen nog maar hun trouwpak, dus ze zijn hard aan iets nieuws toe.”
Om stof voor pakken te krijgen moest hij uiteindelijk wel dingen afstaan. Zo was er een echt mooi helemaal compleet porseleinen servies, dat in een speciaal kastje stond en er alleen voor bijzondere gelegenheden uitkwam. Het was mooi wit, met roze bloemetjes erop en een gouden randje er langs. Ik zie het zo nog voor me staan. Dat wilde mijn moeder niet graag kwijt. Maar het is voor een ruilactie toch opgeofferd. Daarvoor in de plaats kreeg vader stof om kostuums voor de boeren van te maken. En daardoor konden mijn ouders dan weer aan melk en kaas komen. Ik had zelf mooie blauwe schoenen met een soort sleehak, die mijn vader in Tilburg ook ging ruilen voor kledingstof. De room van de melk, die we bij de boeren haalden, deden we in een fles. Daar moesten we om beurten flink mee schudden. En dan hadden we boter voor op het brood.
Een klasgenootje van me, Ria Schuttelaar, is onderweg van de honger ’n keer in elkaar gezakt. En bij ons in de straat woonde de familie Vos, die hadden een papierfabriek. Dus ze waren niet onbemiddeld, maar ze hebben echt honger geleden. En ik weet van een halfbroer van mijn moeder, dat die in die winter op de fiets helemaal naar Friesland is getrokken om aan eten te komen.
Ik weet ook nog wel dat er op een gegeven moment zakken meel voor brood gedropt werden. (Aan het einde van de Hongerwinter 1944-1945 werden vanuit geallieerde bommenwerpers tonnen voedsel — waaronder grote hoeveelheden bloem en meel — boven het nog bezette West-Nederland uitgeworpen.) Ik heb dat zelf zien gebeuren op de Vaart.
13.3.1944 Ouders Henk en Greet
Ik weet nog dat dominee ten Brink bij ons kwam zeggen: “We zijn bevrijd, de oorlog is afgelopen”. Wij waren katholiek, maar ons bovenhuis was aan de voorkant verhuurd aan gereformeerde mensen. Zo kwam hij waarschijnlijk ook bij ons langs. Er waren ook een soort van bevrijdingsfeesten. En ik weet nog heel goed dat mijn moeder daarbij in een regenjas hard moest lopen met een bakje water boven haar hoofd. En meer van dat soort vrolijke dingen.
Een oom van me heulde met de NSB om werk te behouden. Na de oorlog was dat gevaarlijk voor hem en zijn vrouw. Een zus van mijn moeder heeft hem toen naar Den Haag gehaald. Ze vond het verschrikkelijk als hij weggehaald zou worden. Hij is er goed van af gekomen.
Bij ons tegenover werd de Joodse familie Gompers van het bed gelicht. Zij zijn nooit meer teruggekomen. (Benjamin Gompers *1867 was tot 1943 actief en bekend als uitgever van historische stadsgezichten en pleinen te Gouda). Als ik terugdenk, dan hebben die Kerstnacht en het weghalen van de Joodse mensen destijds de meeste indruk op me gemaakt.